In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 3: TONNENSTELSEL
Er is een hemelbreed verschil tussen het milieu, waaruit oma voortkwam, en het mijne. Bij ons was het leven van de ene dag op de andere, zonder enige zekerheid over de toekomstige dag, bij de familie van oma was alle risico uitgesloten.
Als mijn vader in de twintiger jaren de straat in kwam fietsen met al zijn onverkochte sigaren voorop de bagagedrager, dan werd er weer een kip uit het hok gehaald en geslacht. Bij anderen was kip een feestmaal, bij ons was het een teken van armoede. Mijn grootvader van moederszijde, die in die tijd bij ons thuis at, sprak dan de gevleugelde woorden: “Eh, alweer kip”. Tot vandaag de dag is het uitspreken van deze woorden nog een vast ritueel bij de aanvang van een kipmenu.
Bij de familie Broekman heerste zekerheid. De grootvader van oma was een heel hoge bij de spoorwegen. Zo hoog, dat hij in Amsterdam op het perron met een ronde rode schijf met een groene rand, een zogenaamd spiegelei, op een stok, de machinisten van de treinen het vertreksein mocht geven. Hij was perronopzichter, een thans gedevalueerde functie, die in de tweede helft van de vorige eeuw in hoog aanzien stond: een vaste baan bij de spoorwegen met een salaris van ongeveer veertien gulden in de week, voorwaar niet mis.
Zijn zoon, dus de vader van oma, dus jullie overgrootvader, was als jongen in de leer bij een horlogemaker, eveneens een vak, dat niet voor iedere arbeidersjongen was weggelegd. Hun gezin kon je niet meer tot de arbeiderskring rekenen, want tante Francien, die een sigarenwinkeltje had aan de Prins Hendrikkade, tegenover het station, was rijk. En als het zondagmiddag was, dan huurde ze een rijtuig en dan gingen ze met haar mee naar Weesp. Als ik me de verhalen van je grootvader nog goed herinner, dan was zij het, die op nieuwjaarsdag een heel grote beurs met zilveren beugelsluiting onder haar zwarte overrok droeg. Die beurs was dan gevuld met kwartjes en ieder, die nieuwjaar kwam wensen, kon er op rekenen, dat haar gemanicuurde hand onder haar rokken verdween en weer te voorschijn kwam met een glimmend zilveren kwartje, zo heeft hij vaak verteld.
Maar over-overgrootvader was niet makkelijk, heb ik begrepen, evenmin als zijn zoon, trouwens, maar daarover straks meer.
Van uitgaan hadden ze verstand. Carré en Flora waren theaters, die ze vaak bezochten, zo vaak zelfs, dat mijn schoonvader, vader Adriaan, er blasé van was geworden. In de tijd dat oma en ik verkering hadden en later, toen we getrouwd waren, viel het niet mee om Adriaan mee ergens naar toe te krijgen, waar hij echt plezier in had.
Zo waren ze ook eens ergens naar toe geweest, ik weet echt niet meer of het een theater is geweest of ergens anders heen. Misschien was het wel iets officiëler geweest, want de geschiedenis verhaalt, dat zijn vader de manchetten aanhad, lange, witte (hagelwitte zelfs) stijfgestreken manchetten, die om de polsen werden gedragen en bij hangende armen halverwege de handen bleven hangen. Dat was goed want dan waren de mooie manchetknopen goed zichtbaar en dat toonde aan, dat je je wist te kleden. Ik geloof, dat ze in die tijd in de Haarlemmerstraat woonden, of op de Haarlemmerdijk, dus in oud-Amsterdam, zelfs voor de begrippen van die tijd. De huizen waren toen al oud, hetgeen niet wil zeggen, dat nieuwere huizen wel een WC met waterspoeling hadden. Nee hoor, ze hadden een echte plee, een houten plankier met een gat op zithoogte. Het gat kon afgedekt worden met een houten deksel, rond en voorzien van een greep, er los opgespijkerd of soms in het deksel verzonken. Het houten schot, waar je met je hielen tegenaan zat te bonken, wachtend tot het onderwerp zou vallen, kon weggehaald worden. En daarachter stond hij dan: de ton!
Als iemand van de gezinsleden zijn spijsvertering had beëindigd, dan nam hij plaats op het gemakkelijke plankier en leverde zijn bijdrage aan het vullen van deze ton. En als het gezin een beetje groot was, of er was door overmatig veel eten nogal wat te offeren geweest, dan was deze ton tot het randje gevuld. De mannen konden daarin enigszins voorzien, door het natte gedeelte van de afscheiding in de openbare waterplaats te deponeren, of desnoods op straat, tegen een hoekhuis, maar voor de vrouwen was dat in de stad toch wel wat gênant, dus de ton kreeg ruimschoots zijn portie.
Tweemaal in de week kwamen de mannen van de gemeente met de tonnenkar. Vanwege de aroma, die deze kar uitstraalde, hadden de immer vindingrijke Amsterdammers deze kar de naam “Boldoot” gegeven, naar de Eau de Colognefabriek van dezelfde naam. Voorafgegaan door de man met de grote ratel, die hij kunstzinnig zó ronddraaide, dat er een tamboermars uit opklonk, kwam Boldoot dan de straat in. Door de ratelaar gewaarschuwd, kwamen de bewoners naar buiten met de ton. Heel voorzichtig lopend, met het hengsel dan weer in de ene, dan weer in de andere hand, kwamen ze de trappen af, soms van drie- of vierhoog. En het was donker op die trappen, want er brandde geen licht. Elektriciteit was er nog niet en het gas was te kostbaar om daar een trappenhuis mee te verlichten.
Buiten zetten ze het kleinood op de stoeprand neer en dan pakte de tonnenman hem aan het hengsel beet, zwaaide hem behendig op zijn met zwart leer beklede schouder en leegde hem in Boldoot, zonder een druppel van het kostelijke vocht verloren te doen gaan. Dat was een zware taak voor deze mensen. De achturendag was nog niet bevochten en het was een normaal stadsbeeld om deze mensen op zaterdagavond om 11 of 12 uur bezig te zien met hun reinigende taak.
En zo moet het gebeurd zijn op die bewuste zaterdagavond, dat de familie Broekman thuis kwam van een avondje uit. Toen ze in de buurt van de Haarlemmerdijk kwamen, hoorden ze de ratelaar zijn roffel slaan en mijn over-schoonvader realiseerde zich met schrik, dat hij vergeten was de offerbus aan de stoeprand te zetten. In zijn donkere beste pak holde hij de trappen op, haalde het schot weg, pakte de tot de rand gevulde ton beet en haastte zich de trappen weer af om toch vooral op tijd beneden te zijn, opdat Boldoot datgene zou krijgen, waar hij recht op had en vooral, opdat ze in de komende dagen weer een plaatsje op het plankier zouden kunnen bezetten, waar je rustig een toevlucht kon vinden bij moeilijke ogenblikken.
Vaak heb ik oma’s vader horen vertellen van de manchetten, die toen net iets te lang bleken te zijn en na afloop van dit karweitje noch stijf, noch hagelwit meer waren. Schaterend vertelde hij dan hoe zijn vader over de Haarlemmerdijk holde, achter Boldoot aan, zijn manchetten dopend in de substantie van de ton. Die goeie oude tijd toch.
Ik zei het al: Adriaan of Adri, kwam van school en werd leerling-horlogemaker bij een gevestigde zaak. Hij kreeg een uitmuntende opleiding en werd een goed vakman, zeer vlijtig en zeer serieus, dus precies zoals het in de familie Broekman hoorde.
Er was geen radio, waarop elk uur een tijdsein is te horen, er was geen televisie, om de klok op gelijk te zetten en ook kon je niet overal op een kerkklok kijken. De rijke mensen in Amsterdam stelden dus prijs op een goedlopende klok, die de juiste tijd aangaf. En dat leverde werk op voor de horlogemakers. Iedere vrijdag moest Adri zijn vaste ronde maken langs rijke klanten om de “regulateurs”, zoals de grote staande klokken werden genoemd, op te winden en precies gelijk te zetten. De eigenaars bleven zelf van de kostbare uurwerken af, daar kwam de vakman voor, de man met gevoel in zijn vingers, de man, die precies wist hoever je de veer mocht spannen om hem een lang leven beschoren te doen zijn.
En toen werd de vader van Adri overgeplaatst naar Vlissingen en Adri moest mee. De baas van Adri bood aan om hem in huis te nemen en verder op te leiden, zodat hij later de zaak kon overnemen, maar, ik zei het al: de vader van Adri was niet makkelijk en sprak de door Adri nooit vergeten en nooit vergeven woorden: “Waar ik ben, moet mijn zoon ook zijn” en Adri ging mee naar Vlissingen.
En zo is het gekomen. Met pijn in het hart verliet hij Amsterdam. Nooit meer hoorde hij, als hij ’s avonds in bed lag, de wielen van de paardenwagens over de put rollen: rrrrut, rrrrut. Flora, Carré, de paarden voor de bellende brandweerwagens, het werd iets uit een andere wereld. En de horlogezaak van Weijers, waar hij ging werken, was ook geen eerste-klas-zaak.
Maar wel heeft hij daar Maria Mijnsbergen leren kennen. Hoe dat allemaal gegaan is, daarover hebben de ouders van oma zich nooit uitgelaten. De verhalen over hun romances hebben ze ons nooit verteld en een waas van geheimzinnigheid is er altijd omheen gebleven.
Adri trouwde met Jeane (of Sjaan of Jaan) en op 7 september 1916 werd Wilhelmina Cornelia Broekman in Oost- en West-Souburg geboren.
Vader Adri was inmiddels in het spoor van zijn vader ook bij de spoorwegen gaan werken en deed dienst bij het goederenvervoer tussen Vlissingen en ik denk ‘s-Hertogenbosch. Hij deed zijn werk ongetwijfeld even serieus als hij het altijd had gedaan. Zijn verhalen over de vervoerde goederen wist hij altijd smakelijk op te dienen. Als hij vertelde over de bakken frambozen, die in Zeeland werden ingeladen en bij aankomst in de Betuwe waren overgegaan in bakken frambozensap, bedekt met een laag kronkelende wormen, dan werd hij op het hoogtepunt van zijn verhaal met de precisie van een goed lopend uurwerk onderbroken door Jaan (of Jane) Broekman met de immer gelijkluidende woorden: “Ja, pa, de rest weten we wel.” En Oma Wil stemde daar dan altijd mee in: “Gedver, pa, schei uit.” Maar zijn verhaal maakte hij af, tot en met de aflevering aan de jamfabrieken.
Toen oma ongeveer zes jaar was, werd Adri overgeplaatst naar het station Haarlem. Gelukkig maar, anders had ik vandaag niet in Willemstad mijn verhaal aan mijn kleinkinderen en zijn achterkleinkinderen kunnen schrijven. Toen hij zich op het station meldde, bleek men daar van zijn komst niet op de hoogte te zijn en er was ook geen vacature, die door hem vervuld kon worden. Zodoende werd hij ingezet bij de Centrale Werkplaats aan de Amsterdamse Vaart en hij verdiende daar naar de maatstaven van die tijd een goed weekloon. Bovendien had hij een zo zeer door ieder begeerde vaste betrekking.
Wilhelmina Cornelia, in die tijd nog “Mien” genoemd, maar zichzelf later noemende en schrijvende “Wil”, verhuisde dus van Zeeland naar Haarlem en woonde eerst aan het Leidscheplein, daarna in de Kemperstraat en nog later in de Spaarnwouderstraat. In deze straat ben ik voor het eerst bij haar en haar ouders thuis gekomen, maar daarover misschien later nog eens een keertje.
Het was een bloedserieus gezin, waarin oma Wil opgroeide. Alles was gepland en alles liep langs een van tevoren uitgestippelde lijn. Iedere dag op precies dezelfde tijden de voorgeschreven handelingen: opstaan, ontbijten, weggaan, aardappels opzetten, alles op de klok, die dan ook geen minuut vóór of achterliep, zoals je van een spoorman, voorheen horlogemaker, dan ook kon verwachten. Op vaste tijden werden de schoenen gepoetst en iedere zaterdagmiddag werd de carbidlantaarn van de fiets in orde gemaakt en van vers water en verse carbid voorzien. Dat was ook wel nodig, want zaterdagsnachts was het knap donker op de Zandvoortschelaan, als Adri terugkwam uit Zandvoort, waar hij met oude Jan Post had gemusiceerd in een café, om het weekloon nog wat op te voeren, zodat Wil en haar broer Cor konden krijgen, wat ze nodig hadden. Adri speelde dan zeer verdienstelijk piano en Post viool. Vóórdat ze ’s nachts afscheid van elkaar namen, ging die vioolkist nog open om de gekregen sigaren broederlijk te delen, zodat ze ’s zondags nog eens een rokertje konden opsteken.
Maar Zeeland waren ze niet vergeten. Dikwijls stapten ze op zaterdagmiddag gevieren in de trein naar Vlissingen om bij de familie Mijnsbergen het weekend door te brengen. En als ze dan ’s zondags terugkwamen, moe van de lange trip in de door zware stoomlocomotief getrokken trein, dan wachtte nog het karwei van vet smelten.
Tante Jaantje, de jongste zus van Jane, had met oom Kees een slagerij aan het Oranjeplein in Souburg. En zij zorgde er voor, dat als haar zus uit Haarlem kwam, dat er dan een grote voorraad rauw vet op haar lag te wachten. Thuisgekomen werd dat vet dan aan reepjes gesneden en door de gehaktmolen gedraaid. Daarna werd het gesmolten en in een grote bruine Keulse pot gegoten, waaruit naar behoefte stukken werden uitgestoken. En die behoefte was niet gering, want vet werd er wel gegeten in huize Broekman.
Dit schrijvende realiseer ik me, dat de gehaktmolen, die waarschijnlijk omstreeks 1925 werd aangeschaft, thans, in 1978 nog door ons wordt gebruikt om gehakt te malen. Een bewijs van de degelijkheid van Adri en Jane, als ze iets kochten. Ze kochten het voor het leven, maar deze gehaktmolen zal het nog wel uithouden voor de duur van ons leven. Maar dat is niet van ons afhankelijk, maar van de degelijkheid van ons nageslacht.
In de vakanties logeerden oma en oom Cor in Zeeland, bij opoe Mijnsbergen en bij verschillende tantes. Van opoe Broekman, die aan de Nieuwe Weg woonde, herinnert oma zich niet zo erg veel meer. Maar één ding komt nog steeds bij haar boven: ze weet nog heel goed, dat ze het liefste van alles bij opoe Broekman was. Dat was toch zo’n lief mens. Je mocht altijd alles bij haar. Ik weet zeker, dat de herinnering aan die opoe haar nu nog parten speelt, als haar eigen kleinkinderen bij ons zijn. Ze mogen alles zelfs, als ik bedenkelijk mijn wenkbrauwen frons, zegt zij: “ach, wat geeft dat nou?”. En met haar ben ik erg gelukkig, als de kleinkinderen op hun vingers uittellen hoeveel nachtjes ze nog mogen blijven.
Al met al ben ik zo schrijvende, aardig afgedwaald van de lijn van het tonnenstelsel uit de jeugd van jullie overgrootvader en -moeder. Ik ga nog even terug.
Het gezin Mijnsbergen verschilde onnoemelijk met dat van de familie Broekman. Bij Jane thuis waren ze met dertien kinderen, waarvan er twee al jong overleden. Jane was de eerstgeborene en dus aangewezen om al vroeg te helpen in de huishouding. Nauwelijks twee jaar heeft ze de lagere school bezocht, toen haar studie op ongeveer achtjarige leeftijd werd afgebroken en ze werd ingezet in het grote gezin om af te wassen, de kleren te wassen, stoffer en blik en de bezem te hanteren en om iedere dag de enorme hoeveelheid kleine aardappeltjes te schillen, die goedkoop waren en waarschijnlijk als overblijvend product op het land waren blijven liggen, nadat de oogst was binnengehaald. Het narooien was tijdrovend, maar leverde wel gratis aardappeltjes op. Als ze zo’n “piepertje” had geschild, legde ze hem op de keukentafel en als ze een rijtje van tien bij elkaar had, dan gingen ze tegelijk in de grote pan. Zo kon ze bijhouden hoever ze was met de totale hoeveelheid te schillen aardappels.
Op zaterdagavond, als de jongere kinderen naar bed waren, moest ze helpen met het wassen van de kleren van het gezin. Als alles schoon was, werd het te drogen gehangen over touwen boven het fornuis en op zondagmorgen, als de kinderen uit bed kwamen, was alles wel droog, zodat ze er weer een week tegen konden.
Als je Jane in latere jaren had ontmoet, zou je er van versteld hebben gestaan, hoe een vrouw, met zo weinig scholing, zo verstandig kon praten en over zo veel dingen een eigen, goed gefundeerde mening had.
Haar vader werkte natuurlijk bij de spoorwegen. Hij was poetser op het station Vlissingen. Als de trein uit Holland zijn passagiers in Vlissingen had uitgeladen en als die mensen zich hadden ingescheept op de mailboot naar Engeland, dan hielp hij mee om de coupés weer in zodanige staat te brengen, dat bij aankomst van de mailboot uit Engeland de passagiers weer een nette en schone bank hadden en dat de ruiten weer zo schoon waren, dat de passagiers weer behoorlijk naar buiten konden kijken.
Dit beroep leverde niet zo erg veel verdienste op en daarom werd het weekloon aangevuld met werkzaamheden in de tuin van de burgemeester van Souburg. Met het verzorgen van de bomen en planten in deze tuin en reparaties aan de konijnenberg vulde hij de tijd, die overbleef tussen zijn werk en zijn bedrust.
Veel meer kan ik niet vertellen over de omstandigheden ten huize van de familie Mijnsbergen. Erg mededeelzaam zijn Adri en Jane over dit onderwerp nooit geweest. Uit eigen herinnering weet oma Wil nog, dat het water voor de was en voor het schrobben van de straat werd gehaald uit de regenput. Drinkwater kwam uit de waterleiding en daar waren ze erg zuinig op, want dat was duur.
Hoe heel anders was het gesteld bij mijn eigen grootouders. Mijn grootmoeder van vaders kant heb ik nooit gekend en ik heb daar ook nooit iets over gehoord. Mijn grootvader echter, kan ik me nog heel goed herinneren: een klein mannetje, altijd in het zwart en altijd met een hoge zijden hoed, een zwarte cilinderhoed van wel 20 centimeter hoog, die regelmatig werd geborsteld, altijd in één richting en die glom tegen je aan.
Hij was vroom joods, mijn grootvader, in tegenstelling tot mijn ouders, die het geloof hadden losgelaten en nu vurig het socialisme van Henri Polak beleden. Dat was ook de reden, dat “Soetje” nooit bij ons at. Als hij op zondag een vrije dag had van het Portugees-Israëlitisch Oude-mannenhuis aan de Nieuwe Herengracht in Amsterdam, dan kwam hij wel bij ons. Maar als mijn moeder aan de voorbereidingen voor de maaltijd begon, dan zette hij zijn hoed op en ging “wandelen”. Hoe ver hij dan wel kwam, weet ik niet, maar erg veel van de omgeving zal hij niet hebben gezien, te rekenen met de toestand, waarin hij weer terug kwam, voorafgegaan door een wolk van alcoholgeur. Dan huilde hij ook altijd dikke tranen en prevelde joodse gebeden, terwijl mijn ouders achter hun hand stonden te gniffelen. Dat was allemaal moeilijk te verwerken voor mij, zes- of zevenjarige knaap.
Hij moet minstens 95 jaar geworden zijn, Soetje (afgeleid van Josua). Toen oma en ik trouwden, hebben we nog geld van hem gekregen om een trouwcadeau te kopen. De Zilmeta-soeplepels, die we daarvoor hebben gekocht, doen thans nog dienst.
Mijn vader heeft de begrafenis bijgewoond. Toen hij thuiskwam, vertelde hij van de barre tocht op de “bolderwagen”, een door twee paarden getrokken kar op houten wielen, waarop de kist was geplaatst. Boven op deze kist zaten de nazaten volgens joods gebruik te bidden of, zoals in dit geval, te doen alsof. Mijn vader zat apart, door een touw van de kist gescheiden, want hij was een “Cohn”, een geboren priester dus, die niet met een onrein lijk in dezelfde ruimte mocht zijn. Het was koud en van de Nieuwe Herengracht naar de Joodse begraafplaats in Ouderkerk is een heel eind met een door paarden getrokken kar.
Soetje had een klein schaartje in zijn zak, waarmee zat hij altijd aan zijn kinharen te knippen, want scheren doet een vrome jood zich niet. Ergens in de wetten van Mozes schijnt iets te staan, dat zo uitgelegd kan worden, dat je nooit met een mes aan je gelaat mag komen. En als je consequent bent (en de joden staan bekend om hun ijzeren consequenties), dan scheer je je dus ook niet. Er was wel een systeem met een soort bijtende zalf, die de baardharen zo week maakte, dat je ze met een stokje van het gezicht kon schuiven, maar dat was niet geheel ongevaarlijk, want als je die zalf te lang liet inweken, dan was het niet denkbeeldig, dat je tegelijk met de haren ook je huid meeschraapte. Dus gebruikte Soetje het schaartje.
Hij had en nam er alle tijd voor. Tijdens het gesprek, tijdens het bidden, tijdens het eten van de natuurlijk zelf meegebrachte maanzaadkoek (onder rabbinaal toezicht gebakken), altijd was hij in de weer met het kleine schaartje. En glad was hij natuurlijk nooit. Waarom heeft Mozes dan ook nooit iets gezegd van elektrische scheerapparaten? Dat was een uitkomst geweest voor veel vrome joden.
Van mijn moeders vader weet ik wat meer. Opa Heimie (afgeleid van Heiman) was sigarenmaker-diamantslijper, evenals veel joden in Amsterdam en Antwerpen. Als er in de slijperij geen werk meer was, wierpen zij zich op de sigaren en zongen met elkaar socialistische liederen en ze zongen over Henri Polak:
En Henri Polak, dat is mijn neef,
Als Henri Polak er mijn neef niet was,
Dan was er geen geld in de weerstandskas.
Heimie was getrouwd met Branki Speyer, mijn grootmoeder dus. Ik herinner mij haar nog. Maar niet als de gevierde amateurtoneelspeelster en operettezangeres, die ze in Amsterdam was geweest, maar als een verlamde oude vrouw, die in Haarlem in de Zonnesteeg woonde. Ze zat daar in een rieten leunstoel bij het raampje, waardoor ze op het binnenplaatsje van de benedenburen kon kijken. Van het Groot Heiligland komend, ging je de Zonnesteeg in en dan de eerste deur links. De kronkeltrap op, in een halve cirkel naar boven. Het was donker in het trapgat. De onderzijde van de muur was zwart geteerd en de bovenkanten waren vroeger wit geweest. Het stonk er naar de teer en ik was er bang. Boven in het kleine kamertje zat Branki in haar stoel. Tegenover haar Heimie, die sigaren zat te maken. Hier rook ik de bekende, maar tot de dag van vandaag door mij nog steeds gehate lucht van drogende tabak. Achter Heimie was de bedstee, waarin ik later nog eens geslapen heb met mijn grootvader. Toen heb ik de pest gekregen aan een dekbed, nee, aan alle dekbedden op de hele wereld.
Naast de bedstee was een trap naar boven, naar een geheimzinnig oord, waar ik nooit ben geweest. Heimie ging dat trapje wel eens op en kwam dan terug met bosjes tabak, bij de stelen aan elkaar gebonden en voorzien van een kartonnen kaartje, waarop stond welke soort tabak het was. Met het sigarenmakersmesje sneed hij het kaartje er af en dat kreeg ik dan.
Branki is 69 jaar geworden. Ze overleed in de bedstee in de Zonnesteeg. Toen ik daar naar toe ging met mijn broers Joop en Herman (eigenlijk ook Heiman) en mijn zus Branca, zaten mijn moeder en mijn tante Marie op kussens op de grond. Ze zaten “sjiwwe”. Dat deden ze gedurende de rouwdagen, ik geloof, totdat de mannen terugkomen van de begrafenis, maar daar ben ik niet zeker van. Vrouwen gaan niet mee naar een begrafenis, dat is mannenwerk.
Heimie bleef wonen in de Zonnesteeg. Hij at er zijn matses met Pesach, was niet vroom, maar droeg wel zijn gebedsriemen. Die matses van hem waren niet bij machte mijn eetlust op te wekken. Hij haalde ze uit een grote bruin-kartonnen doos, die tot aan de rand volzat, als hij hem kocht. Dan werd de smakeloze pannenkoek besmeerd met boter (ik denk wel dat het margarine was), er ging een dikke laag bruine suiker op en zo was het misschien nog wel te eten geweest, maar dan kwam de koffiekan er bij. Een koud, zeer donkerbruin, drabbig vocht werd over de matse gesprenkeld en dan moest je de weekgeworden massa door je strot zien te wurmen. “Ik lust het niet”, dat was er in mijn jeugd niet bij, dus het was: ogen dicht en slikken.
Op zondag was Heimie bij ons en at dan mee. Als hij en wij geluk hadden, dan was er geen kip. Soms was er koegel, maar dat gebeurde niet zo erg vaak.
Heimie is drie- of vierennegentig geworden. Zijn laatste jaren heeft hij doorgebracht bij tante Marie thuis. Die woonde toen een paar huizen van mijn ouders vandaan op het Pretoriaplein in Haarlem-Noord, het geannexeerde Schoten van vóór 1926.
Het was bikkelkoud in de maand januari 1941, toen hij overleed en bij tante Marie werd uitgedragen. Heel normaal droegen ze de kist de trap af. Dat was anders dan toen zijn vrouw Branki overleden was. De smalle kronkeltrap was daar niet berekend geweest op het dragen van doodkisten en daarom was zij het kleine raam uitgegaan. Met touwen hebben zij de kist laten zakken en via het binnenplaatsje is Branki in de lijkwagen terecht gekomen.
Heimie is naar de Joodse begraafplaats aan de Amsterdamsevaart gebracht door mijn vader, mijn twee broers en mij. In deze tijd hadden de Duitsers nog niet zo veel belangstelling in joodse begrafenissen, vandaar zeker, dat alles ongestoord verliep. Het zal echter tot 1945 wel één van de laatste joodse begrafenissen zijn geweest. Na die tijd zijn de Ariërs dit soort begrafenissen zelf gaan organiseren en wel op zeer grote schaal, ergens in Polen.
De niet zo erg plechtige plechtigheid werd gehouden in het voor dat doel opgerichte gebouwtje op de begraafplaats. In het midden van het kleine zaaltje stond de kist en Rabijn De Vries verzorgde het geestelijk ritueel, waarvan ik niets heb begrepen. In één van de wanden van het zaaltje was een gat uitgespaard ter grootte van een flink raam en eenzelfde gat was aanwezig in het nog kleinere bijgebouwtje, dat tegen het eigenlijke gebouw was neergezet, met dien verstande, dat er een reep lucht aanwezig was tussen beide vertrekken. In dat bijgebouwtje moesten wij met ons vieren staan, zodat we gescheiden waren van het lijk, dat, als alle lijken, onrein was. Wij immers, waren “Cohns”, geboren rabbijnen. En ook al deden wij niets meer aan de joodse godsdienst, Cohns bleven we, dat waste al het water van de zee niet af. Ondanks het feit, dat wij drieën met niet-joodse vrouwen waren getrouwd, we bleven Cohns. Rodrigues was de naam en Cohen of Cohn was de aangeboren titel voor kinderen, geboren uit een vol-joodse moeder.
Toen de plechtigheid zover gevorderd was, dat volgens de rite de rest zich moest afspelen bij het graf, vroeg Rabijn De Vries aan mijn vader, die dus qua geboorte hoger was dan hij, dus eigenlijk in dit geval een soort opperrabbijn, toestemming om met het oog op de zeer strenge vorst, de hele plechtigheid af te mogen wikkelen in het onverwarmde, maar toch minder koude gebouwtje. Welwillend gaf mijn vader daartoe toestemming, denkende aan de koude noordooster, die door de botten sneed.
Voorop liep de rabijn, daarachter de dragers met de kist, joodse geestelijke liederen zingend, dan kwamen er twee mannen, die een touw gespannen hielden, dwars over het pad en daarachter liepen wij vieren. Door dat touw werden wij dus gescheiden gehouden van het onreine gebeuren vóór ons. Na de begrafenis moesten de handen gewassen worden onder een bakje water, dat aan de uitgang van de begraafplaats op meer dan manshoog tegen het hek was bevestigd. Dat was om de boze geesten te bezweren, heb ik me laten vertellen. Maar de noordooster was ons niet zeer welgezind en had bij een vorst van zeker 20 graden het demonenverjagend water gewijzigd in een klomp ijs. Nu ja, onder dergelijke omstandigheden kijkt zelfs Elia niet zo nauw en een enkel handenwassend gebaar, ons door de rabijn voorgedaan, was ook al voldoende.
Vóór mij ligt een foto van Heimie. Het is niet uitgekomen wat wij altijd hebben gezegd naar aanleiding van de meer dan levensgrote haviksneus, die Heimie immer voor zich uittorste. Wij zeiden dan: “Opa Heimie gaat nooit dood. Als hij door zijn mond de laatste adem uitblaast, dan blaast hij dat vanzelf zijn neus weer in.”
Ja, ja, jongens, dat was zo’n beetje herinnering aan de grootouders van oma Wil en mij. Aan de tijd, waarin vader Broekman op de Haarlemmerdijk ’s avonds laat Juno, de hond, uitliet en tegen de surveillerende politieagent zei: “Het staat op de trap hoor.” “Dank u wel, meneer”, antwoordde die dan. Hij keek om zich heen of de kust veilig was, glipte dan de deur binnen, sloeg het glaasje brandewijn met suiker achter de kiezen, stopte de sigaar onder zijn van een glimmende koperen piek voorziene helm en vervolgde zijn tocht door donker Amsterdam. Hij zorgde er wel voor om op het opgegeven tijdstip op de opgegeven plaats te zijn, want dan kon er wel een superieur komen, die kwam controleren of hij nog wakker was. Een herinnering aan de tijd, dat de nachtwacht nog door de Amsterdamse straten kwam zingen: “De klok heit één, één heit de klok”, de tijd van de lantaarnopsteker en van de porder, maar over de laatste twee kan ik nog wel verhalen uit mijn eigen ervaring.
Opa Heimie Jinnink, in 1940, 91 jaar oud
Van mijn tante Liesbet herinner ik me niet veel meer. Ze was een zuster van mijn moeder en getrouwd met Louis Blazer, met wie ze ergens aan de Koninginneweg woonde. Ik moet een jaar of vier zijn geweest, toen ze mijn nagels schoonmaakte bij Branki en Heimie thuis in het huisje in de Zonnesteeg. Ik vond haar lief en mooi, maar meer weet ik niet van haar. Ze is 32 jaar geworden en toen gestorven aan wat toen de “vliegende tering” werd genoemd. Nu noemen we dat TBC, een afkorting van tuberculose, eens, en echt niet zo lang geleden, een zeer gevreesde ziekte die thans door de medici onder de knie gehouden wordt.
Van Louis Blazer weet ik nog wat meer. Hij was stoepier bij Klein maar Dapper in de Barrevoetstraat. Weet je niet wat een stoepier is? Nou, dat was een man, die in dienst was bij een, meestal, kledingmagazijn. Als er iemand voor de etalage bleef staan om te kijken, dan holde hij naar de voordeur en daar ging hij over in de gewone pas. Alsof het toeval was, kwam hij dan rustig naar buiten en begon met de kijker een praatje over de jassen en costuums in de etalage en prees ze aan, als zijnde zo goed en goedkoop. Als het een goede stoepier was, dan praatte hij de kijker naar binnen om eens te gaan kijken. Was er binnen dan ook nog een goede verkoper, dan werd de kijker door deze in een prima costuum of jas gepraat en waren er drie tevreden mensen: de stoepier en de verkoper, die premie kregen voor wat ze verkochten (vaak hun enige verdiensten, want loon kregen ze niet) en de koper, die de overtuiging was ingeprent, dat hij het koopje van het jaar had. Als die maar zo dom was geweest om zonder zijn vrouw te kopen, dan kwam hij thuis wel tot de ontdekking, dat hij er was ingevlogen, want in dergelijke winkels was de kwaliteit van de spullen niet zo erg best.
Louis Blazer dus, was stoepier. Het woord was afgeleid van het woord “stoep”, het trottoir vóór de winkel, waar hij zijn werkterrein had. Door de hele stad hadden de winkels voor de “gewone man” zulke mensen in dienst. Alleen de dure winkels deden het zonder: mensen, die het betalen konden, kochten daar en hadden geen adviseurs nodig om ergens naar binnen te gaan.
Louis moet een goede stoepier geweest zijn, tenminste, dat denk ik. In mijn herinnering was hij een rijke man. Hij was altijd onberispelijk gekleed, droeg zelfs een stropdas, je weet wel, zo’n vlindertje, en hij had een wandelstok met een zilveren knop, waarmee hij jongleerde als een tamboer-maître, vooral, als hij een slokje te veel op had en dat gebeurde nogal eens. Hij was dikke vrienden met zijn schoonvader Heimie en die spuugde er ook niet in, zoals ik al vertelde. Samen speelden ze ook in de Staatsloterij, verdraaid, dat is zo, en ze hebben ook gewonnen. Moet je horen.
Het was op een woensdagmiddag, de zon scheen en het was prachtig weer. Daarom mochten Herman en ik een poosje vrij hebben van de striptafel en we speelden met de jongens in de straat. Plotseling was er nogal wat opschudding op de hoek van onze straat en de Paul Krugerstraat. Er waren veel mensen en vooral kinderen, die over de straat kropen en ze schreeuwden. Wat ze schreeuwden, weet ik niet, maar iedere keer stortten ze zich opnieuw op de straat en ze grabbelden. Omdat wij geen afwijking hadden en iedere opschudding door ons wel werd aangegrepen om wat afwisseling te brengen in ons toch niet zo erg eentonige bestaan, gingen wij er vanzelfsprekend in de looppas op af.
En vandaag de dag zie ik ze nog aankomen: Heimie en Louis. Temidden van een groep juichende mensen. En ze waren dronken en niet zo’n beetje. De bolhoed van Heimie en de gleufhoed van Louis gaven een duidelijk bewijs van de graad van hun dronkenschap, ze stonden achterover op hun roodaangelopen koppen. Ze strooiden geld rond, ja, echt ze hadden hun zakken vol met centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes en dat geld strooiden ze uit over de straat. Als de mensen en de kinderen dan over de grond kropen en grabbelden, dan brulden ze van het lachen. Halverwege de hoek en onze straat bleven ze staan en zongen ze een aria uit de één of andere opera, ik weet niet welke. De op geld beluste groep mensen moedigde ze aan en vroeg om meer, waarbij ze waarschijnlijk minder zang en meer geld bedoelden.
Hoe ze aan dat geld kwamen? Wel, ze hadden de honderdduizend gewonnen in de Staatsloterij. Het zal niet op een heel lot zijn geweest, maar al was het maar op een twintigje, dan was dat altijd nog ƒ 5000 gulden en dat was een onvoorstelbare hoeveelheid geld, een bedrag, dat je als arbeider niet uit kon rekenen, zonder je pet in je hand te nemen.
En zoveel geld hadden die twee gewonnen. Ze zijn er helemaal knotsgek van geworden en gingen datgene doen, waar ze altijd van gedroomd hadden, als ze nog eens geld ter beschikking zouden krijgen. Ze zetten het op een zuipen. En eenmaal een beetje in de lorum, dan is het hek van de dam. Ze hadden in één klap ontzettend veel vrienden, die ze wel wilden bijstaan in deze moeilijke ogenblikken en die dus stuk voor stuk niet waren weg te branden bij dit tweetal, dat over een onuitputtelijke hoeveelheid geld beschikte. Dorst hadden ze ook, die nieuwe vrienden en de kasteleins tapten. Ze tapten zonder ophouden van dinsdagmorgen tot woensdagmiddag. En nog was de zak met geld niet leeg. Voor een handje bankbiljetten hadden schoonvader en schoonzoon veel kleingeld gekregen en dat strooiden ze rond onder de dronkemanskreet: “Geld moet rollen”. En het rolde ook, maar niet naar ons toe.
Bij ons kwamen de twee zatlappen binnen en toen rolde er wat anders. Heimie had altijd al wat tegen mijn vader gehad en hij vond dat het nu tijd was om dat eens even uit te spreken, hetgeen hij met veel verve deed. En hij kreeg antwoord van mijn vader, die zelf nooit een druppel alcohol tot zich nam, omdat hij er zoveel ellende van had gezien en mede uit zijn socialistische opvatting, die zei dat de arbeider drie grote vijanden had, namelijk de drie “K’s”: Kerk, Kroeg en Kapitaal.
Het werd een ruzie, zoals ik thuis maar weinig heb meegemaakt. Heimie schold mijn vader uit voor Portugese Eendarm, dat was het geëigende scheldwoord van Hoogduitse Joden voor hun Portugese rasgenoten. Mijn vader, getraind in dergelijke gesprekken, constateerde dat Heimie twee darmen had, die hij wel wilde gebruiken voor kousenbanden. Hoe dat precies zat met het aantal darmen, wist ik niet en zij waarschijnlijk ook niet, maar het ging er meer om, dat je liet blijken, dat je niet zo erg gesteld was op je tegenpartij in een dergelijk gesprek en daar slaagden ze heel goed in. Gevochten, echt lijfelijk gevochten is er thuis nooit. Mondje moest altijd zorgen, dat kontje geen klappen kreeg.
Mijn vriendjes in de straat hebben meer gehad aan de hoofdprijs, die mijn grootvader had gewonnen, dan ik. Nog geen reep chocolade hebben we er van gezien, toen drie dagen later geen cent meer over was van de grote rinkelbom. Maar mijn vriendjes hadden meegegrabbeld en ik niet.