Verhalen uit de jaren 20 en 30: Sneeuw

In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.

Hoofdstuk 2: SNEEUW

“Er komt vast sneeuw”, heeft de bakker gezegd. Dat vertelt Oma me, als ik uit de schuur kom om koffie te drinken. Er komt vast sneeuw! En dat roept herinneringen wakker aan mijn moeder, die hetzelfde heeft gezegd, zo’n 55 jaar geleden. Hetzelfde, maar wat een wereld van verschil ligt daar tussen.

De bakker komt voorbij. Hij rijdt in een blauwe Volkswagenbus en komt uit Fijnaart om hier in Helwijk zijn brood af te leveren. Hij heeft een mandje onder de arm en loopt altijd op een sukkeldrafje, want tijd is geld. In zijn auto heeft hij allerlei andere eetwaren dan brood, want er is hier maar één winkel en de mensen gaan niet altijd naar Willemstad voor een rol beschuit of een zakje koek.

“Er komt vast sneeuw.” Dat zei de bakker en de melkboer ook, toen ik een jongen was van zes jaar. En zorgelijk zei mijn moeder dan: “Dan wordt het brood weer een cent duurder en de melkboer moet ook een trekker hebben, dus de melk wordt ook een cent per liter duurder.”

Ik zie ze weer staan, de werklozen, die tegen elkaar en tegen hun vrouwen zeiden: “Er komt vast sneeuw.” Maar er was een gans andere klank in hun stem dan bij de huismoeders, die dachten aan het broodje van een dubbeltje in plaats van negen cent en de liter melk, die wel 12 cent zou gaan kosten. De werklozen keken vol verwachting naar de lucht en ze legden een krant in hun kapotte schoenen, opdat ze niet direct al natte voeten zouden krijgen.

Zodra de eerste sneeuw zou vallen, zouden zij zich gaan melden bij de Sierkan op de Zijlweg of bij de Coöperatie in de Lange Wijngaardstraat. Zij wilden niet te laat komen, anders waren anderen hen voor en grepen zij naast het zo begeerde baantje van “trekker”.

Met een lang touw, aan twee kanten aan de voorzijde van de zware houten wagen vastgemaakt, en over hun schouders snijdend door de dunne jas, trokken ze uit alle macht om de bakker of melkboer het werk achter de wagen te verlichten. Ze deden hun uiterste best om een goede trekker te zijn, want anders nam de bakker morgen een ander en dat scheelde hun in hun inkomsten. Ze kregen voor hun zware dagtaak immers ongeveer een rijksdaalder of misschien wel drie gulden.

Als ze bij een huismoeder waren aangekomen, die wist wat de mensen toekwam, kregen ze wel eens een kop gloeiend hete koffie en soms wel een kop soep, maar daar konden ze niet altijd op rekenen.

Stampend op hun koude voeten, die weinig bescherming hadden van de te dunne zolen, wachtten ze tot de bakker zijn broodje had afgeleverd bij zijn klant. Als “er geld zat”, kon deze klant meteen afrekenen, maar meestal was het alleen maar een kwestie van brood afgeven. Het afrekenen kwam dan zaterdags wel, als er gebeurd was, als de vader was thuisgekomen met zijn weekloon.

En dan greep de bakker weer naar de zware duwboom van de kar. Ja, ja, die kar! Het was één stuk solide vakmanschap, de duwboom met zwaar rond ijzer aan de massief houten bak bevestigd. Een ijzeren driepoot zorgde er voor dat hij niet achterover kon kiepen en eenzelfde driepoot had aan de voorkant dezelfde taak. Als de bakker ’s morgens om ongeveer halftien de bakkerij verliet, had hij al vanaf vier uur aan de oven gestaan. Dan ging hij zijn wijk in. Had hij geluk, dan hoefde hij niet zo heel erg ver weg, maar soms moest hij toch wel een uur lang zijn kar duwen vóórdat hij in zijn wijk kwam. Dan hadden de grote houten wielen met hun zware ijzeren banden al heel wat omwentelingen gemaakt.

Maar als er sneeuw was, dan had hij een trekker en dan had hij nog wat aanspraak onderweg. Als hij dan te vroeg in zijn wijk was, kon hij de tijd een beetje korten met een babbeltje met zijn trekker. Hij zou er niet aan hebben gedacht om vóór tien uur zijn waar aan te bieden. De mannen van de arbeidsinspectie waren ook al op de been en die waren er als de kippen bij om een bakker, die te vroeg brood leverde, erbij te lappen.

Om tien uur precies beurde hij de zware houten klep op en de lucht van vers brood verspreidde zich dan om de omgeving. Voor de trekker viel er dan wel eens een kadetje af. Dat was een meevallertje, want dat scheelde thuis weer in de kost.

’s Zomers was het allemaal anders. Dan waren er geen trekkers nodig en moest hij het allemaal alleen doen. Als hij dan zijn werk had gedaan: in de vroegte bakken, daarna zijn wijk en dan terug naar de bakkerij, dan was hij wel zo vermoeid, als hij thuiskwam, dat hij dadelijk in slaap viel. Aan zijn avonden had hij ook niet zo erg veel, want als je iedere morgen om drie uur uit je bed moest, dan wilde je er wel op tijd in liggen.

Met de melkboer was het niet veel anders gesteld. Zijn wagen was van dezelfde degelijke constructie als van zijn collega-bakker. De wielen waren even groot en van dezelfde ijzeren banden voorzien. Eenmaal per week moest de wagen worden gestut om deze wielen van een nieuwe portie consistentvet te voorzien. Eén voor één werden de grote moeren losgedraaid, waarmee ze aan de as waren bevestigd. Het oude vet werd verwijderd en met een stokje werd een nieuwe laag aangebracht, het wiel werd weer op de as geschoven en dan draaide het weer soepel.

Dat moest ook, want een piepende melkwagen was geen gehoor en maakte een onzorgvuldige indruk op de klant. Stel je voor, dat om deze reden geen melk meer werd afgenomen, maar dat de klant één van de andere melkleveranciers nam, die ook in dezelfde straat zijn kar voortduwde. Soms kwamen er wel vier of vijf melkboeren in dezelfde straat. Van sanering was toen nog geen sprake en een melkboer had in een straat soms maar een enkele klant, waar hij apart heen moest.

Tussen de wielen schommelde de lage bak. Vóór en achter stond een grote verzinkt-ijzeren melkbus van ik denk veertig liter. Alleen de wagens van de Sierkan hadden koperen bussen, die blonken in de zon, tenminste als die niet al te fel scheen. Dan waren de bussen afgedekt met flanellen hoezen, zodat de melk niet te warm werd en zo lang mogelijk goed bleef. Want als je bij een klant kwam, die zijn litertje van gisteren kwam inleveren, omdat het was doorgelopen, dan kwam je good-will in gevaar. Bovendien was het een schadepost die hoog kon oplopen.

Een enkel litertje was niet zo erg. Natuurlijk was dat dan wel de schuld geweest van de huisvrouw, die de melk niet direct had gekookt, maar daarmee had gewacht tot in de middag of misschien nog wel later. Van een koelkast hadden de huisvrouwen in die tijd alleen nog maar besef, als ze bij de slager stonden, daar was er een, dat wisten wij als jongen ook al.

Iedere middag kwam daar de ijswagen. De man met de gonjezak op de rug en over zijn hoofd prikte met een grote priem in de ijsstaven van anderhalve meter lang en twintig centimeter hoog en breed. Hij nam ze op zijn schouder en bracht ze in de slagerij. Vóórdat ze in de ijskast gingen, stak hij er met zijn priem grote stukken af, die dan in een voor onze begrippen geheimzinnig luik verdwenen. En dat was dan het moment om er als de kippen bij te zijn. Van de tegelvloer van de slagerij kaapten we de brokken, die in de rondte vlogen en we lieten ze smelten in onze mond, steeds weer genoodzaakt om ze te voorschijn te halen omdat het toch wel een beetje te koud was, zo’n heel waterijsje in de mond.

Zoals ik zei, de slager had een ijskast, maar de huisvrouw moest haar melk op tijd koken, desnoods na verloop van een paar uur weer. Vleeswaren, zoals bloedworst en leverworst, konden dus niet alleen om financiële redenen maar met kleine beetjes tegelijk worden ingeslagen. In de zomer zou het anders maar bederven.

Maar een liter bedorven melk was goed voor de hond. De trekhond, die onder de kar liep en als trekker meehielp. De melkboer van de moeder van Oma had ook zo’n hond. Iedere morgen kwam hij met zijn baas in de Spaarnwouderstraat in Haarlem en iedere morgen kreeg hij van jullie overgrootmoeder een oude korst bruinbrood. Stratenver liep hij daar al op te vlassen. Wist dat beest veel van Chappi en hapklare brokken, waar de TV-reclamespots in 1978 bol van zouden staan. Hij was niet verwend, hij trok op de Oostvest, bij de gevangenis, die wij de “Paraplu” noemden vanwege zijn ronde vorm, zijn strengen al strak. Zijn poten schuurden daarbij zo sterk over de keien, dat het bloed er uit kwam. “Mevrouw Broekman”, zei de melkboer op een morgen (ja, het was in de tijd, dat sommige arbeidersvrouwen al “mevrouw” werden genoemd als ze getrouwd waren en niet in de allerarmste buurten woonden) “Mevrouw Broekman, wilt u de hond geen brood meer geven? Hij trekt zijn poten helemaal kapot en wat moet ik doen met die zware wagen, als ik geen hond meer heb om te helpen trekken?” Vanaf die tijd kreeg de hond geen brood meer. Hij stond nog wel te kwijlen onder de grote boog van de wagenas, speciaal gemaakt voor wagens, waar een trekhond onder moest lopen, maar brood was er niet meer bij voor hem.

Mijn eigen vader had ook een trekhond. Bruno heette hij. Dat was in de tijd na de Eerste Wereldoorlog. Ongeveer in 1920, denk ik, want ik zal ongeveer zes jaar oud zijn geweest. Mijn vader liep met een ijscowagen van “Het Beertje”, een ijswafelfabriek in de Kloosterstraat in Schoten. In de sigaren was zeker te weinig te verdienen, of misschien was er wat anders aan de hand, wat kleine kinderen niet aanging, in ieder geval: hij liep met ijs.

Iedere morgen in de zomer duwde hij zijn wagen van Schoten naar zijn standplaats in Beverwijk, bij de afrit van de pont over het Noordzeekanaal. Dat was warempel geen kattepis. De wagen was afgeladen met ijswafels van 5, 7 en 10 cent. Ze waren keurig verpakt in kartonnen hulsjes en lagen netjes op een rijtje in ijzeren laden, die hij uit kon schuiven, nadat hij het houten deurtje (met het koperen knipje) had open gemaakt.

Hij ging vroeg weg, want anders liep hij misschien zijn vaste klanten mis, meestal loopjongens, die van een welgestelde klant van hun baas soms wel eens een stuiver fooi kregen en deze rijkdom binnen de kortst mogelijke tijd omzetten in een versnapering, die ze van hun zakgeld niet altijd konden betalen.

Soms waren er wel reizigers, die met de stoomtram van Beverwijk naar Haarlem gingen en bij de pont stonden te wachten op de tram uit Alkmaar. Die wilden ook wel eens iets kopen.

Het was een afstand van ongeveer tien kilometer, die hij achter zijn loodzware wagentje moest duwen. De staven ijs, die de wafels onder het vriespunt moesten houden, waren niet licht en de isolatie, die de zomerzon buiten de wagen hield, was van een ouderwetse degelijkheid, in tegenstelling tot de voeding, die mijn ouders zich konden permitteren.

Dus hielp Bruno dagelijks de twintig kilometer overbruggen. En ook hield hij mijn vader gezelschap tijdens de lange uren, die hij bij die pont doorbracht, wachtend op klanten, die een wafel van een stuiver bij hem kwamen kopen. De duurdere gingen niet zo hard.

Wij kregen bij uitzondering ook wel eens een wafel van hem als hij wat vroeger naar huis was gekomen en eerst naar de Generaal de la Reystraat kwam om te eten, vóór hij zijn karretje naar de Kloosterstraat bracht.

Hij had een aardig systeem om deze extra uitgaven goed te maken. Als hij een wafel van 7 cent verkocht, kreeg de klant speciale service. Mijn vader schoof dan heel voorzichtig voor zo’n goede klant de dikkere wafel uit het hulsje en bood die de klant aan op een speciaal voor dit doel meegebracht schoteltje. Het hulsje werd zorgvuldig schoongehouden en in een laatje opgeborgen. Als de klant verdwenen was en er geen andere kapers op de kust waren, werd het weer te voorschijn gehaald. Een wafel van 5 cent kwam uit de ijzeren lade en werd ingekwartierd in het duurdere omhulsel. Een beetje wrijfwerk maakte de te ruime behuizing wat aannemelijker en de volgende rijke klant voor een wafel van 7 cent werd weer vorstelijk bediend met extra service middels het schoteltje.

Als deze malversatie tien keer gelukt was, eventueel verdeeld over meerdere dagen, dan hadden wij, mijn twee broers en mijn zuster, recht op een ongekende versnapering van een ijswafel van 5 cent.

Ja, zo deed jullie overgrootvader dat. Of zijn beroep van ijscoman daarop is stukgelopen, weet ik niet. Misschien ging het ook later wat beter met de sigarenindustrie, maar ik kan niet vertellen wat het einde is geweest van deze tak van kleinhandel van hem.

Van die sigarenindustrie is ook wel het een en ander te vertellen. Die werd uitgeoefend in huis. In de Generaal de la Reystraat op nummer 25. Een benedenhuisje met twee kamers, een alcoof en een keuken. Achter was een klein tuintje met een armetierige kersenboom en eenzelfde beeld vertonende appelboom, die wel bloesem, maar nooit vruchten droegen… In de voorkamer was de “fabriek” gevestigd. Twee houten tafels met een houten bak tegen de muur voor de tabakstelen en op schoothoogte de “ruif”, waar het gestripte binnengoed en het afval van “opleggertjes” en “dekblad” voorlopig in verdween.

Waarom twee werktafels voor een éénmansbedrijf? Nu, dat wordt duidelijk, als je weet, dat het personeel van het bedrijf aangevuld werd met elk lid van het huisgezin, dat daar maar even toe in staat was. En dat was in de eerste plaats mijn moeder, als ze buiten haar huishouden en het werkhuis, dat ze had bij rijke mensen aan de Oosterduinweg in Aerdenhout, momenten had, waarop er niet iets anders beslist moest gebeuren. Dan ging ze achter de andere tafel zitten en stripte het “binnengoed” of ze maakte opleggertjes gereed, zodat mijn vader meer vaart kon zetten in het maken van de “bosjes”, die in sigarenblokken werden gestopt en onder de pers gingen om de juiste vorm te krijgen.

En als mijn moeder er niet was, of iets anders moest doen dan was die tweede tafel de werkplaats voor de kinderen, oorspronkelijk alleen voor mijn oudste broer Joop, die toen al de leeftijd had, dat hij zijn handen weleens uit de mouwen kon gaan steken. Hij was immers al zowat elf jaar?

Op vrijdag was het hoogspanning. Vóór de zaterdag moest er veel gebeuren, want dan kwamen er ook wel klanten aan huis om sigaren te kopen. Het werd zoetjesaan een echt sigarenwinkeltje. En op zondagmorgen helemaal, want dan waren de andere sigarenwinkels gesloten. Als de roomse kerk uitging, op de hoek van onze straat en de Paul Krugerstraat, dan kwamen ze bij ons, want wij hoefden ons van de zondag niets aan te trekken. Voor ons, joden, was het immers geen zondag. Wij hadden de sabbath, al trokken wij er ons thuis ook niets van aan en was ook de zaterdag een dag als alle andere: hard sappelen om in leven te blijven.

Op vrijdagavond werd de werkplaats verlegd naar de woonkamer en vaak kwam Ome Bram dan helpen. Ook Ome Bennie was er dan. Met z’n vieren zaten ze dan om de tafel, moeder stripte het binnengoed, ome Bennie maakte bosjes en ome Bram en mijn vader maakten de “dekkertjes” en dekten om. De “zinkies” waren uit de voorkamer gekomen en met de sigarenmakersmesjes sneden ze de dekbladen in de goede vorm en rolden de bosjes in het dekblad.

Een klein Pruisisch blauw potje met bruine stijfsel (gewone stijfsel met koffiestroop) gebruikten ze om de puntjes vast te plakken en de twee streepjes, in het zinkje ingekerfd, gaven de maat aan, waarop de sigaren moesten worden afgeknipt.

En er werd gezongen. Er werd mooi gezongen: vierstemmig galmden er aria’s uit alle bekende opera’s, die ze in Flora hadden gezien, niet één, maar vele malen, opgevoerd door amateurgezelschappen of zelfs wel eens door beroepszangers. En dan volgden de socialistische liederen: De Rode Vlag, de Achturenmars, Morgenrood en Eens, door hen aangeduid als de socialistische psalm.

Mijn broer Herman en ik lagen in bed in de alcoof en we waren wakker, we luisterden naar de zang en naar de gesprekken, waarvan veel ons pas veel later duidelijk is geworden.

Wie was die ome Bram toch en hoe kwam die bij ons thuis? Hij heette Bram van Gelder en was geen echte oom. Ik geloof dat hij reiziger was in tabak en zodoende bij mijn vader terecht was gekomen. Maar daar ben ik niet zeker van. Wel weet ik zeker, dat ik erg trots op hem was. Hij was toch de man, die voor het eerst met een auto bij ons in de straat kwam. Welke jongen had dat? Een geparkeerde auto bij hem voor de deur. Zelf reed hij niet. Dat deed ome Bennie, die daarvoor wel speciaal aangenomen zal zijn.

Die geparkeerde auto, die er wel heel erg vaak stond, gaf toch ook wel problemen. Er zat een hoorn op aan de buitenkant op het spatbord. Naast de bestuurdersplaats, zowel van binnenuit als vanaf de buitenkant bereikbaar, zat een rubber bal. Als je daarin kneep, werd de samengeperste lucht door een metalen flexibele slang naar de hoorn gevoerd, waardoor er een geluid als van een schelle toeter werd geproduceerd. Dat wisten de jongens van de roomse school in de straat al heel gauw en in een lange rij holden ze voorbij de auto en knepen om beurten in de bal, tot grote ergernis van mijn vader. Inventief als hij was, vond hij al snel de oplossing. Als ome Bennie de auto neerzette, ging hij naar buiten en haalde de rubber bal er af, zodat er geen knijpen meer bij was. Maar niet minder vindingrijk waren de roomse jongetjes. Die “toffemoontjes” veranderden de overwinning van mijn vader al gauw in een nederlaag, want als je de rubber bal verving door een al of niet roomse mond, dan werd het geluid van de toeter niet alleen harder, maar bovendien kon je het net zo lang laten klinken, als je longen het uithielden. En dan was er al weer een vriendje, die je direct kon vervangen, opdat de pauzes tussen twee hoornstoten niet al te lang zouden duren.

En de ergernis van mijn vader groeide. Hij zon op een nieuwe strategie en vond hem in de keuken in de pot met groene zeep. Een dikke klodder werd om het mondstuk gesmeerd en ongeduldig wachtte hij af, tot de klok twaalf uur had geslagen en de schooldeuren tegenover ons huis open zouden gaan. Op de hoek van de straat werd de bisschoppelijke rij geformeerd en daar kwamen ze. De eerste blazer bevochtigde met zijn speeksel de klodder zeep zodanig, dat de volgende al tot schuimvorming overging en de derde al aarzelend zijn mond aan de buis zette. De gierende lach van mijn ouders en de omes overtuigde hen er van, dat ze deze keer de slag hadden verloren.

Ze zonnen op nieuwe methodes en vonden die in de claxon. Het was zo’n ouderwetse, weet je wel, zo één, die thans wordt geïmiteerd door moderne pubers van rond de dertig, veertig jaar, zo één, die “Aruuurahhh” doet, als je hem in werking zet. In 1922 waren ze echter niet elektrisch, maar moest je er van boven met nogal wat kracht op drukken om hem aan de praat te krijgen.

Dat was het volgende object voor de roomse broeders. De lange rij trok weer in looppas langs de auto en drukte. Iedere jongen zo hard en zo vaak mogelijk, hiermede voor de na hem komende makkers de kans vergrotend om in handen van mijn vader te vallen. Maar, al was mijn vader een vlugge, de jongens waren vaak vlugger en wisten wel hoe ze aan zijn grijpgraze vingers moesten ontkomen. En de scheldkanonnade, die ze achtervolgde, maakte de strijd des te spannender.

Toen kwam er een gonje lap over de druktoets. Meer niet. Eerst wantrouwend als schuwe vogeltjes bekeken ze die lap, toen probeerde er één heel voorzichtig waar de val zou dichtklappen. Maar toen er niets gebeurde, in elk geval niets bijzonders, toen formeerde ’s middags om vier uur de stoet zich weer en in draf ging het op de gonje lap af. En daar had mijn vader op gerekend. Onder de lap had hij namelijk een plankje gelegd, waardoorheen kleine spijkertjes waren geslagen. Met de punten naar boven lag het daar te wachten om stoute roomse vingertjes er aan te helpen herinneren, dat ze van joodse claxons af moesten blijven. Of dat het einde van de strijd is geweest kan ik me niet herinneren. Ik denk, dat het afgelopen was, toen ome Bram een andere auto kreeg, die helemaal gesloten was. Het was een grote, zwarte Steyer, glimmend nieuw, die iedere week bij ons voor de deur werd gewassen, ja, toen ook al.

De nering werd te druk en wij werden te groot voor het huis op nummer 25 zwart en we gingen verhuizen naar nummer 21 zwart, een winkelhuis, waar tante Jans en ome Frits De Kuster een slagerij hadden gehad. Die verhuisden naar een winkel in de Generaal Bothastraat (mijn ouders zeiden later altijd: “ik ga even achterom.”).

Op 21 hadden we een kamer meer. Die was in het tuintje uitgebouwd en werd de slaapkamer van mijn ouders, zodat ze niet meer bij ons in de alcoof hoefden te slapen. Een klein jaar later werd mijn jongste zusje Rachel geboren.

De winkel werd uitgerust met toonbank en een basculeweegschaal, met gele blikken bussen voor rook- en pruimtabak. Er stond een hakmes om de pruimtabak te kerven en er waren zakjes van grauw papier, waarin deze veel gevraagde versnapering werd afgewogen.

Met zijn rug naar de geachte clientèle zat mijn vader te werken. En het ging goed met het bedrijf. Tinus Varrent werd aangenomen als leerling-sigarenmaker en spoedig beheerste hij het vak zodanig, dat mijn vader rustig naar Amsterdam kon gaan om tabak te kopen. Waarom ome Bram dat niet leverde, is voor mij nog steeds een raadsel. Wat kwam die dan eigenlijk doen? En waarom ging mijn moeder zo vaak met hem mee naar het Gooi? Het antwoord zal ik nooit te weten komen.

Ik heb al verteld, dat de zondagmorgen een drukke ochtend was. De kerkgangers verdwenen niet direct in het café van “Heupie”, zoals we vrouw Baltus noemden, omdat ze een niet zo best geslaagde operatie aan haar heup had ondergaan, hetgeen duidelijk aan haar gang was te merken. Eerst kwamen ze bij ons sigaren of pruimtabak inslaan voor de zondag. Vijf sigaren voor een dubbeltje kochten ze. En die werden verpakt in een papieren sigarenzakje. Echte bedrukte zakjes. Aan de voorkant stond de naam van mijn vader, aan de achterkant stond een rebus, waarvan de oplossing was: Het is geen man, die niet roken kan.

Ook buurman Oudendijk kwam dan. Die woonde in het bovenhuis, vlak boven ons. Ik weet niet meer welk beroep hij uitoefende, maar het was een aardige man. Hij woonde er samen met zijn zuster, buurvrouw Moppie, omdat ze de moppen, die ze bij bakker Ceres op de hoek cadeau kreeg, altijd voor mij bewaarde.

Hij had echter een gewoonte, die bij ons menigmaal een onderwerp van gesprek was geweest en die hem, hoe kon het anders, een bijnaam had bezorgd. Hij heette “Buurman Ja”. Om de twee woorden klonk zijn vragend of bevestigend “Ja”. En toen mijn moeder eens had gezegd, dat ze wel eens wilde weten, hoe vaak hij in een gesprek dit woordje had gebruikt, besefte ze niet, dat wij dit voor ernst opnamen en een plan beraamden, om daar achter te komen.

Tussen de gang en de winkel was een glazen deur, op voor een kleine jongen als ik ooghoogte was er een raampje gebroken en nooit meer vervangen en mijn eigenwijze koppie kon daar precies door. Het was zondagmorgen, vader was naar Amsterdam (alweer), we zaten in de achterkamer, toen de deurbel klingelde en buurman “Ja” binnenstapte. Mijn moeder ging naar de winkel, mijn broers Joop en Herman, respectievelijk 12 en 8 jaar, namen hun zetels in aan de tafel en wapenden zich met potlood en papier om de “Ja’s” te turven en ik (6 jaar) installeerde mij als observator achter de glazen deur, mijn koppie door het gebroken raampje in de winkel. En ik hield de score bij, luidop tellend en herhalend de keren dat het ja-woord viel. En dan met een schel kinderstemmetje door de gang naar de achterkamer meldend: “Joop, vier keer Ja, nee, nog twee keer, zes keer ja.”

Herinneren doe ik het me niet, maar nu kan ik me voorstellen, hoe mijn moeder dat heeft doorstaan. In gedachten zie ik de rode kleurtjes, die ze altijd kreeg, als ze zich opwond. De forse, knappe vrouw, achter de toonbank, anders nooit naar woorden zoekend, maar nu in het nauw gedreven door die kleine apekop door het raampje. De aardige buurman, een goede vaste klant, die in de maling werd genomen.

Toen hij uit de winkel verdween, wachtte ik mijn moeder op om vol trots te kunnen melden, dat het raadsel was opgelost. We wisten precies hoeveel keren de buurman “Ja” had gezegd. “Moeder, hij heeft……” Verder ben ik niet gekomen. Achter de glazen deur heeft ze me een pak slaag gegeven, dat ik me nu nog herinner. Maar ik begin te neigen naar de overtuiging, dat ze misschien wel een beetje gelijk heeft gehad.

Dit voorval is niet de oorzaak geweest, dat het bergafwaarts ging met het winkeltje. De eigenlijke oorzaak moet een goddelijke bestiering zijn geweest. Een besluit van Onze Lieve Heer zelf of op zijn minst van één van zijn ondergeschikten. Plotseling was het afgelopen met het drukke geklingel van de winkelbel op zondagmorgen. Later hoorden mijn ouders van enkele getrouwen, dat de pastoor van de kerk op de hoek zijn parochianen had verboden om bij die joden te kopen. Dat moesten ze dan maar op zaterdag doen bij Poen op de hoek. Per slot was die winkel, evenals alle andere winkels trouwens, tot tien uur ’s avonds open. En bovendien waren ze daar goed katholiek. In de oorlog heb ik daaraan wel moeten denken, toen ik de jongste zoon van deze mensen in het uniform van de NSB zag rondstappen.

Wat dit allemaal met de kop boven dit stukje te maken heeft? Ach, dat weet ik niet. Het was alleen maar de aanleiding om te beginnen aan het opschrijven van wat herinneringen voor onze kleinkinderen, waar Oma en ik het al eens over gehad hebben. En vandaag, 25 januari 1978, de dag vóór dat we 40 jaar getrouwd zijn, kijk ik naar buiten en zeg: “We krijgen vast sneeuw.”