In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30. I
Hoofdstuk 1: VOOR MIJN KLEINKINDEREN
Het is januari 1978 en ik ben begonnen aan iets, dat ik allang van plan was: het schrijven van brieven aan mijn kleinkinderen, waarin ik wil vertellen over vroeger. Over de omstandigheden, waarin de mensen verkeerden in de tijd, dat ik een kind was, en over de tijd daarvóór. Het laatste moet ik putten uit datgene, wat ik heb gehoord van mijn ouders en van de ouders van Oma Wil.
Ik wil geen levensbeschrijving maken en je moet bedenken, dat wat mij vroeger overkwam, heel vaak net zo gebeurde in de gezinnen, die naast ons woonden en in de huizen in de andere straten bij mij in de buurt.
Dat ik meer over mezelf schrijf, dan over Oma Wil, dat ligt natuurlijk voor de hand. Ten eerste kwam zij uit een heel ander gezin. Een klein gezin, waar alles werd besproken, als de kinderen op bed lagen. En het was een gezin, waar ze geen armoede hebben gekend. Geen rijkdom ook, natuurlijk, maar iedere week kwam het vaste loon binnen en dat gaf het leven een bepaald ritme, dat bij ons ontbrak. Ten tweede kwam ik uit een tipisch joodse familie, met al zijn gein en zijn optimisme, ook onder de meest benarde omstandigheden.
Ik schrijf zo maar wat raak, net zoals het in me opkomt en ik houd geen rekening met een juiste volgorde in tijd: ik spring van de hak op de tak, zogezegd.
Ook heb ik geen opleiding gehad als schrijver, zelfs niet als machineschrijver, zodat er nogal eens een tikfout in deze brieven zal staan. Ook taalkundige fouten kunnen mij niet zo erg deren. Mijn gedachten gaan vaak sneller dan mijn twee over het toetsenbord huppelende vingers.
Je zult het moeten nemen zo het er staat en anders “Leg je je kop er maar bij”, zoals Maria Mijnsbergen (jullie over-over-grootmoeder van Oma Wil haar kant) zou zeggen.
Opa Mon Cohen Rodrigues