Verhalen uit de jaren 20 en 30: Het TV-loze tijdperk

In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.

Hoofdstuk 10: HET TV-LOZE TIJDPERK

Het is een nuttige bezigheid, het schrijven van deze brieven aan mijn kleinkinderen. Dat werd me gisteren weer eens duidelijk, toen een kennis van ons hier was. Hij is leraar op een middelbare school in Rotterdam en las een stukje, dat ik pas had geschreven. Zodoende praatten wij over vroeger en hij vroeg of wij ook gevechten hadden gehad met de jongens uit de buurt over het bezit van oude kerstbomen. Daar was ik toch even stil van. Ik moest me proberen te herinneren of dat zo was geweest. Maar toen wist ik het: hoe zouden wij hebben gevochten om kerstbomen? We hadden die immers niet!

Ten minste, wij niet. Bij buurvrouw Peters hadden ze wel een kerstboom. Een heel kleintje. En geen echte, maar een kunstboompje van zo’n centimeter of veertig hoog. Ik heb er wel eens bijgestaan als hij werd opgetuigd. Uit een lange kartonnen doos kwam hij tevoorschijn uit de alcoof. Daar lag hij het hele jaar op Kerstmis te wachten op de ruimte, die boven de huiskamerkasten was uitgespaard.

Bij ons stonden daar de lege matsendozen en lagen er winterjassen als ze niet werden gedragen en stapels lege sigarenkistjes, die ik vanuit mijn bed lag te tellen. Maar bij Peters kwam daar de doos met de kerstboom vandaan.

In stomme verbazing zag ik de staak op tafel staan en pas als de takken werden uitgebogen en het geheel de vorm van een denneboom begon te krijgen, dan pas ging ik in de kerstboom geloven. Van welk materiaal de boom was gemaakt, dat weet ik niet. Wel weet ik zeker, dat het geen plastic of nylon geweest is, want dat bestond toen nog niet. Dat is pas na de Tweede Wereldoorlog op de markt gekomen.

Er werden engeltjes in de boom gehangen, hoewel de familie Peters helemaal niet godsdienstig was. Maar engeltjes hoorden bij Kerstmis en dus kwamen ze in die boom, evenals rode en zilveren glazen ballen. Maar ja, een boompje van veertig centimeter is gauw gevuld, dus veel van dat spul kwam er niet aan te pas. Wel moest er natuurlijk sneeuw op komen en dat was niet zo’n moeilijke zaak. Een paar vlokken witte watten en een grote dosis verbeelding maakten de zaak wel compleet en de familie Peters tot de elite van de straat. Zij hadden immers een kerstboom!

Als het 6 januari was, dus de dag van Driekoningen, dan werden de engeltjes weer ingepakt, de ballen gingen er bij en de takken van de boom werden weer voorzichtig tegen de stam gevouwen, waarna het hele geval weer in de doos ging en op de kast in de alcoof ging liggen wachten tot het volgende jaar.

Het antwoord op de vraag of wij ook gevechten hadden geleverd om het bezit van afgedankte kerstbomen is hiermee wel gegeven. Wij vochten er niet om, omdat ze er niet waren.