In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 11: FAMILIE ONDER ELKAAR
Een lange tijd hebben deze brieven stil gelegen. Misschien omdat ik een beetje uitverteld ben of misschien ook omdat we zoveel andere dingen te doen hebben.
Vandaag, 27 december 1978, heb ik de schrijfmachine maar eens naar beneden gehaald en ga weer eens wat vertellen. Oma Wil zit tegenover me. Ze maakt voering in de lampenkapjes voor boven de tafel. Het regent en is niet koud voor deze tijd van het jaar. Ze vroeg: “Heb je weer inspiratie?” Na enig instemmend gegrom ben ik dus begonnen aan dit verhaal over mijn familie, zowel van vaders- als van moederszijde.
Vanavond kreeg ik een telefoontje van Ester uit Zaltbommel. Wie Ester is? Ook dat kom je te weten, wacht maar af. Mijn broer Joop heeft me namelijk verleden week opgebeld om het adres van Ester te weten te komen, omdat hij een foto had van tante Marie (die kennen jullie al) met Claar (die kennen jullie nog niet), gemaakt op de dag dat Joop en Emmie trouwden. Die foto wilde hij naar Ester sturen en dat heeft-ie gedaan ook, zodat Ester het telefoonnummer van Joop vroeg. Ook wilde ze weten, wie die Claar eigenlijk was en dat heb ik haar verteld. Op dat moment kreeg ik “de inspiratie” om nog wat zijstapjes in onze familiekring te ondernemen. Daar gaan we dan.
Tante Marie was de zes jaar oudere zuster van mijn moeder. Als ik zeg: “zes jaar”, dan bedoel ik ook zes jaar. Geen dag langer en geen dag korter. Beiden waren jarig op 23 januari. Waarschijnlijk een erfelijke kwestie, want onze dochters Selma en Marjolein zijn ook op dezelfde dag jarig. Goed, tante Marie dan, had twee dochters, Ester, de oudste en Mientje. Hoe ze daar ooit aan gekomen is, blijft in nevelen gehuld. Ze is nooit getrouwd geweest en beide zusters droegen dan ook de achternaam van tante Marie en mijn moeder: Winnink. Tante Marie was kraamverpleegster en oefende dat beroep uit op particuliere wijze. Ze ging de kraamvrouwen thuis verplegen en was niet verbonden aan één of andere inrichting, zodat ze, als ze “in de verpleging” was, niet thuis kwam. Ze was dan intern bij de patiënten, waar ze, naast de zorg voor de kraamvrouw, ook de huishoudelijke besognes waarnam. Dat was voor een alleenstaande vrouw natuurlijk wel gemakkelijk, maar wat te doen met twee dochters, die de ooievaar op een ongelegen ogenblik aan de deurknop heeft gehangen?
Nou, deze beide dochters hebben heel wat afgezworven. Het fijne weet ik er ook niet van en dat hoeft ook niet, maar wel weet ik, dat ze allebei een poosje bij mijn oom Sjaak en tante Mien in Assen in huis zijn geweest. En ook bij ons hebben we ze om beurten een poos als logé’s gehad. Ik was toen nog heel klein, misschien een jaar of zes. Ester is getrouwd met een grote kerel, met handen als kolenschoppen. En die had hij ook wel nodig, want hij werkte in Heusden aan de gasfabriek. Ik vond het een fijn vent, maar ik denk, dat Ester daar anders over heeft gedacht. Ze is van hem gescheiden en later getrouwd met Duitse Karel. Een voddenman, die met zijn paard en karretje de boer op ging om lorren en oude metalen op te halen. Een zeer lucratief baantje, naar het schijnt, als je weet dat ze op het ogenblik zo rijk is, dat ze geen kans ziet om de rente van haar kapitaal op te maken. Hetgeen vanzelfsprekend niet wil zeggen, dat ze dan ook gelukkig is. Vanavond vertelde ze me, dat geen van haar kinderen meer bij haar komt. Ze hebben ruzie gehad. Waarover denk je? Juist, over haar geld.
Met haar zus Mientje is het tragisch afgelopen. Ik hield veel van Mientje. Het was een buitengewoon knappe en intelligente vrouw, maar in de tijd dat ze opgroeide zonder vaste woonplaats, zonder een huis waar ze echt thuis was, en toen ze dus altijd onder vreemden was, ooms, tantes of geheel vreemden, toen wist ze het, als opgroeiend meisje, ook allemaal niet zo precies meer. En zo is ze met de mensen waar ze bij in huis was, op een goede (of kwade) dag in IJmuiden de sluis uitgevaren op een boot van de KNSM en voer naar Nederlandsch Indië. Ze ging mee als hulp voor de mevrouw, maar de meneer had dat niet helemaal begrepen en toen de mevrouw de meneer ging begrijpen zat Mientje heel gauw in haar eentje op een boot, die van Batavia naar Amsterdam voer. Terug naar het kikkerlandje.
Het was bikkelkoud, toen ze in Haarlem aankwam. Het sneeuwde toen ze met een taxi in de Generaal de la Reystraat arriveerde. Oorspronkelijk was ze op weg naar haar moeder, die inmiddels met Jan Hansen was getrouwd. Maar haar moeder was juist weer eens “op reis”, zoals wij het noemden en dus trok Mientje bij ons in. Ik zie nog voor me, hoe ze zowat in de kachel kroop, zo koud had ze het. De overgang van de tropische temperatuur in de koude Hollandse winter is haar blijkbaar te veel geweest, want zo lang ik haar na die tijd nog heb gekend, was ze steeds aan het mopperen op dat smerige Hollandse klimaat.
Mientje was coupeuse en ik geloof een heel goede. Ze is lang bij ons in huis gebleven, zowel in de Generaal de la Reystraat als aan de Rijksstraatweg. Toen ze later kennis kreeg aan Rinus van Kogelenberg is ze bij het Leger des Heils gegaan. Ze had een prachtige sopraan en ik herinner me, dat ze eens tijdens een Kerstnachtviering van het Leger in de Schaggelstraat het feest opluisterde door het zingen van “Holy City”. Dat was een goede gedachte van haar. Alleen had ze er geen rekening mee gehouden, dat ook wij, Joop, Herman en ik ook wel eens bepaalde gedachten hadden, die er die nacht in uitmondden, dat wij besloten om, vergezeld van haar stiefbroer, Karel Hanse, het Kerstfeest van het Leger des Heils met onze aanwezigheid op te luisteren. En juist op het moment, dat zij begon met het belijden van haar liefde voor Jeruzalem, stapten wij naar binnen.
“Ik dacht, dat ik door de grond ging, toen ik die rotjongens binnen zag komen”, verklaarde ze later tussen een paar lachbuien door. Want gevoel voor humor had ze, mijn nicht Mientje. We hebben ons voor ons doen zeer netjes gedragen tijdens haar zang. En toen de een of ander een opmerking maakte, waartegen onze lachspieren niet bestand bleken, toen zijn we halsoverkop naar buiten gestoven, regelrecht in de armen van een verbaasde politieagent, die tot op de dag van vandaag het dol-humoristische van een Kerstnacht bij het Leger des Heils niet heeft begrepen.
Als ze naar “het leger” ging, had Mientje haar uniform aan, compleet met hoed. Die hoed had van achteren een uitsparing voor de tot een knot samengebonden overdadige hoofdharen, die toen bij de vrouwen mode was. Alleen zeer moderne vrouwen hadden een kortgeknipte haardos, een zogenaamde jongenskop. Voor de vrouwelijke heilsoldaten was zoiets niet weggelegd, die hielden zich aan datgene wat God ze had gegeven en ze persten haar hoeden over de knot haren, die nauwkeurig in de uitsparing paste.
Mientje echter, was zowel Heilsoldaat als modern en ze had daar een prachtige oplossing voor gevonden. Haar van nature prachtige donkere haardos had ze laten afknippen, ze had er een mooie knot van gedraaid en die met haar vaardige coupeuse-handen keurig in de uitsparing genaaid. Als ze nu haar heilshoed over haar jongenskop opzette, dan veranderde het mondaine meisjesgezicht op slag in een zedig en devoot gelaat, getuigend van een ziel, die geheel “den Here gewijd” was.
Nu moet je niet denken, dat ze huichelde hoor. Verre van dat. Ze was oprecht het ideaal van het Leger des Heils toegedaan, maar ze voelde er niet voor om dan altijd maar het kwezelige uit te hangen en dat deed ze dan ook nooit. Je kon met haar lachen en ze kon tegen een geintje. Dat was haar ook maar geraden, want ze had het niet gemakkelijk, vooral bij Herman en bij mij.
Ik herinner me hoe we haar eens de stuipen op het lijf hebben gejaagd aan de Rijksstraatweg. Ze had een kamertje op de zolder. Iedere avond ging ze met Rinus naar boven om te bidden en daarna gingen ze weer naar beneden om afscheid te nemen. Toen ze op een avond naar beneden kwamen, zijn Herman en ik naar haar kamertje gegaan en hebben van een witte kool met een stofbril op een hoofd gemaakt. Een paar rollen behang met schoenen aan, staken aan het voeteneind onder de dekens uit en de kool lag op het hoofdkussen. De lamp hebben we losgedraaid en toen zijn we in bed gestapt. We sliepen op zolder, tegen het kamertje van Mientje aan.
Doodstil lagen we, toen ze de twee trappen opkwam. We hoorden haar het lichtknopje omdraaien en nog eens omdraaien en toen hoorden we niets meer, een hele tijd. Plotseling een kreet: “Lelijke rotjongens” en toen een onbedaarlijke lachbui. De tranen liepen haar over de wangen. Ja, ik zei het al: ze kon tegen een geintje.
Mientje was het ook, die Oma Wil op haar gemak stelde, toen die voor het eerst bij ons thuis kwam. Het was voor oma een geheel andere wereld, waar ze in verzeild raakte. Er kwamen alsmaar meer mensen de kamer binnen en allemaal mensen, die ook in ons huis woonden. En dat voor oma, die uit een gezin kwam van vader, moeder en één dochter, want oom Cor was het huis toen al uit. Maar Mientje ving haar op, ze ging naast haar zitten en nam haar in bescherming tegen de flitsende opmerkingen van onze familie.
Tot haar trouwen is ze bij ons in huis gebleven. Toen is ze met Rinus gaan wonen aan de Nieuwe Gracht, in één van die grote huizen vlak bij de Koudenhorn. Toen Rinus werk kreeg bij Stork in Hengelo, zijn ze daar gaan wonen en op een trieste morgen in de oorlog ging Rinus naar zijn werk en een uur later was zijn huis getroffen door een bom. Zijn en onze Mientje is daarbij om het leven gekomen.
Om het leven van Ome Sjaak hangt ook al zo’n waas van geheimzinnigheid, waarvan nooit een sluier is opgelost. Toen ik Tante Mien, de vrouw van Ome Sjaak, eens om opheldering vroeg over een paar zaken die mij al lang bezighielden, keek ze me verwonderd aan en vroeg: “Weet je dat niet?” Na mijn ontkennend antwoord deelde ze me mee op de haar eigen resolute wijze: “Nou, dan neem ik dat mee mijn graf in.” Ze heeft in zoverre woord gehouden, dat ze nooit iets heeft verteld, maar toen ze in 1975 was overleden is ze gecremeerd en er is dus geen graf aan te pas gekomen.
Ome Sjaak moet in zijn jonge jaren een “bakkie” aan de hand hebben gehad. Wat voor een bakkie weet ik niet, maar ik heb horen verluiden, dat hij in een inrichting in Drente terecht is gekomen en zodoende kennis heeft gemaakt met tante Mien. Nu weet je nog niet, wie Ome Sjaak was, is het niet? Nou, hij was een broer van mijn moeder en van Tante Marie, een zoon dus van opa Heimie en opoe Branki Winnink.
In die inrichting moet hij het drukkersvak hebben geleerd en later is hij een drukkerij begonnen in Assen aan de Rolderstraat, geloof ik. Het was een klein drukkerijtje en Ome Sjaak was op uitbreiding uit. In 1934 of 1935 heeft hij geprobeerd om in Haarlem een filiaal te stichten en mij daar als firmant in te zetten. Maar omdat ik in die tijd werk had en niet veel zag in een onzekere affaire, is dat allemaal niet doorgegaan.
In de oorlog heeft Ome Sjaak heel stiekum gedaan of hij geen jood was en hij droeg geen ster. Dat heeft hem het leven gekost. Hij werd verraden en van huis gehaald en is nooit meer terug gekomen. Als hij wel een ster had gedragen, was hij er misschien goed vanaf gekomen, omdat hij, evenals mijn beide broers en ik, gemengd gehuwd was. Maar achteraf is het gemakkelijk om te zeggen: als… In die tijd wist je toch niet, wat goed was en wat niet.
Ome Sjaak en Tante Marie zijn de enigen van de broers en zusters van mijn moeder, die ik me kan herinneren. Ik heb ze goed gekend, in tegenstelling tot Tante Liesbet en Oom Joop, waarvan ik alleen maar vage herinneringen meedraag. Ik geloof, dat ik al verteld heb, dat Tante Liesbet gestorven is toen ze ongeveer twintig jaar oud was. Ze had TBC, welke ziekte in die tijd de Vliegende Tering werd genoemd. Oom Joop staat me voor de geest als een slanke, donkere jongeman, die plotseling verdwenen was. Ook overleden. Waaraan? Ik weet het niet.
De zusters en broers van mijn vader waren groter in tal, al heb ik ze niet allemaal gekend, ik heb wel zo het één en ander over hen gehoord.