In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 12: OP DE MAATSCHAPPELIJKE LADDER
Misschien vinden jullie het interessant om iets te lezen over het maken van carrière door Oma Wil en mij. Welnu, dat zal je hebben.
Oma Wil kende ik nog niet in de tijd, dat ze aan het arbeidsproces begon deel te nemen. Ze was toen veertien jaar en had na de lagere school de jaren tot ze mocht gaan werken, doorgebracht op de modevakschool van mevrouw Muntjewerf in de Grote Houtstraat op de hoek van de Breestraat en ook nog eerst een paar maanden op een huishoudschool. Dat dit nuttige jaren zijn geweest, blijkt mij nu nog elke dag en ook de kleding, die ze in de loop van de tijd voor haar kinderen en kleinkinderen heeft gemaakt en ook voor zichzelf en voor mij bewijst, dat deze jaren hun vrucht hebben afgeworpen. Koken kan ze en de naaimachine blijft ook nu niet ongebruikt staan.
Toen ze veertien was, moest ze gaan werken, evengoed als de meeste arbeiderskinderen. Studeren was duur, voor veel onbetaalbaar en als er gestudeerd kon worden, dan kwamen in de eerste plaats de jongens aan bod, omdat die later voor een gezin hun brood moesten gaan verdienen. Meisjes zouden later wel trouwen en als ze konden koken en een huishouden besturen was het al goed. Wisten ze daarnaast ook nog een beetje om te gaan met naald en draad, dan was dat mooi meegenomen.
Alzo kwam Wilhelmina Cornelia Broekman in dienstbetrekking bij mevrouw Cerfontaine aan de Kleverparkweg. ’s Morgens om acht uur moest ze daar aanwezig zijn en om drie uur was haar taak afgelopen, tenminste… als al haar opdrachten waren vervuld, anders werd het wel eens vier uur of nog later. De overuren werden vanzelfsprekend niet uitbetaald, dat hoorde erbij en mopperen als het later werd, zou een reden tot ontslag kunnen betekenen. Er stonden immers honderden meisjes te wachten om een opengevallen plaats in te nemen. Bovendien kwam het niet in het hoofd van een arbeiderskind op om over deze kleinigheden openlijk te protesteren. Ja, soms, heel zachtjes, onder elkaar, dan was er wel eens een uiting van weerstand, maar verder kwam het niet.
Als ze ’s morgens op haar werk kwam, dan stond er een onbehoorlijke afwas op haar te wachten, vooral als er de avond ervoor visite was geweest. En op maandag was het helemaal een karwei om door de afwas van de hele zondag heen te komen. Als je denkt, dat de mevrouw in het weekend zelf wel eens een kopje of een bord zou afwassen, dan ben je verkeerd ingelicht. Niks ervan. Ze had toch zeker een meisje voor halve dagen (dat wil zeggen 7 à 8 uur) en die kon het mooi leren voor later, als ze getrouwd was. En zo werkte Oma Wil iedere dag in een tamelijk groot huis in een gezin met twee kleine kinderen. Het was aanpakken geblazen, dat wel, maar dat was nu eenmaal wat in die tijd “De Grote Leerschool van de Maatschappij” werd genoemd. Zo waren de omstandigheden nu eenmaal en het socialisme had nog niet zoveel invloed, dat er een eind aan kon worden gemaakt. Dat is langzaam, heel langzaam gekomen en het heeft veel strijd gekost, vooral en in de eerste plaats van de generatie die vóór ons kwam.
Wij, arbeiderskinderen, leefden in een tredmolen. En toch behoorden Oma Wil en ik tot een groep arbeiderskinderen, die een eigen opvatting hadden over deze toestanden. Wij hadden de AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale, die ons opleidde voor andere dingen dan de dagelijkse afwas van een mevrouw, die te bedonderd was om haar eigen vuil op te ruimen. Maar daarover vertel ik beslist later nog wel eens.
Als Oma Wil ’s middags op haar groene fietsje naar de Spaarnoogstraat terugreed, dan had ze wel een poosje voor zichzelf, maar dan moest ze weer naar de Grote Houtstraat, naar de modevakschool, om in haar avonduren de studie te voltooien, die overdag te kostbaar zou worden. Dan ging ze lopen. Ja, en in die tijd ben ik haar ’s avonds wel tegengekomen, het in pakpapier gewikkelde werkstuk onder de arm. Ik kwam haar zelfs steeds vaker tegen. Heel toevallig, niet?
Later is Oma bij juffrouw Bakker in betrekking gekomen. Die was onderwijzeres en woonde met haar moeder in de Engelszstraat. Daar was het een omgeving met een beter werkklimaat. Oma was er tamelijk zelfstandig in het regelen van haar werkzaamheden, maar ze had inmiddels verkering gekregen met een zeer eigenwijs jongetje, dat het niet goed vond dat Oma in de vakantie van juffrouw Bakker bij de oude mevrouw Bakker bleef slapen en dat was het einde van die baan. Tot grote ergernis overigens van vader Adriaan Broekman. Vandaag moet ik wel toegeven, dat hij, gezien de omstandigheden van die tijd, wel gelijk heeft gehad.
Tot ons trouwen heeft Oma nog twee betrekkingen gehad na die bij juffrouw Bakker. En toen had ze zoveel van het huishouden geleerd en zoveel afwassen gedaan, dat het nu wel eens zo is, dat ik haar een beetje ga helpen. Per slot van rekening heb ik er nu de tijd voor, nu ik met pensioen ben en bovendien: samen de boel vuil maken, betekent ook: samen schoonmaken, vind je ook niet?
Ja, over de werkkring van Oma kan ik natuurlijk niet zoveel vertellen als over die van mij. In de eerste plaats omdat ik me vanzelfsprekend meer herinner van wat ik zelf heb meegemaakt en in de tweede plaats, omdat mijn omstandigheden altijd een beetje anders waren dan normaal. Of dat aan de omstandigheden lag of aan mij, dat weet ik niet zo precies, maar ik stel alleen vast, dat het wel altijd zo was. Maar gaat-ie dan.
Toen ik in de zesde, dus hoogste klas zat van de lagere school, kreeg ik van Piet de Zomer, mijn onderwijzer, de boodschap mee, dat mijn ouders eens op school moesten komen, hij wilde eens met ze praten. En ze gingen. Je moet begrijpen, dat dit een hoge uitzondering was. Er waren geen ouderavonden en de ouders hadden ook geen tijd om zich af te vragen hoe hun kinderen het op school maakten. De onderwijzers hadden zorg voor de geestelijke voeding, zij zelf hadden handen en voeten nodig om voor de lichamelijke voeding te zorgen. De rapporten werden driemaal in een jaar van de verplichte handtekening voorzien en alleen het vakje “Ongeoorloofd verzuim” werd bekeken. Als dat geen problemen gaf, dan waren er helemaal geen problemen. Als een kind bleef zitten, nou ja, zal wel goed zijn, de meesters weten het wel.
Maar nu moesten mijn vader en moeder bij de meester komen. Mijn vader deed zijn papieren boordje om, dat ik eerst had moeten halen bij Jacobs in de Paul Krugerstraat: staand-liggend 14½. Mijn moeder deed een schone jurk aan en kamde haar haar. En zo gingen ze naar de Overtonstraat.
Stralend kwamen ze terug. Hun jongste zoon moest studeren, had de meester gezegd. Hij had ze aangeraden om mij naar de Mulo te sturen en trots hadden ze daarin toegestemd. Hun zoon studeren! En dat als enige jongen uit de straat. Dat was even niet mis. En ze gingen wat rechter lopen. In de slaapkamer van mijn ouders, uitgebouwd in de tuin, werd alvast een tafeltje neergezet, daar zou ik mijn studie moeten voltooien. Het ging allemaal even anders dan zij en ik hadden gehoopt.
Toen ik de laatste schooldag thuiskwam, was ik nog in hoera-stemming. Wel een beetje schor van het zingen. Meester De Zomer had er wel een beetje om moeten lachen, toen we in koor het schone lied zongen:
“Het is vandaag de laatste dag, hali, halo,
Dat ik de meester pesten mag, hali, halo,
Ik heb mijn schoenen laten lappen
Om de meester rot te trappen,
Hali halo, hali héé.”
Toen ik ontkennend antwoordde op de vraag van mijn moeder of ik de meester wel had bedankt, werd ik rechtsomkeerd weer terug naar school gestuurd om die fout goed te maken. Ik wist niet wat ik moest zeggen, want waarvoor ik hem moest bedanken, stond me niet zo helder voor de geest. Maar gelukkig was de school dicht en geen meester meer te bekennen. Met deze boodschap thuisgekomen moest ik met dezelfde gang weer terug, nu naar zijn huis, want bedanken zou ik. Zelden heb ik mijn ouders zo vasthoudend gezien, waar het opvoeding tot beleefde persoonlijkheid betrof. Maar dat het indruk op me heeft gemaakt, blijkt wel hieruit, dat ik het vandaag nog zo goed weet.
Op 5 september 1927 betrad ik voor het eerst de Mulo-school in de Jacobstraat. Mijn moeder was meegegaan en leverde me af aan de heer Popma, hoofd van de school, maar ik zag haar al niet meer. Ik kwam terecht in klas 1a, bij de heer Vrijdag. Na een paar minuten wist ik al dat hij nooit Vrijdag heette, maar “Plukkie”. Waarom dat was, wist niemand, maar dat was ook niet belangrijk. Wel was het belangrijk om meteen al te weten, dat hij toch geen orde kon houden; dus we konden er een lollige boel van maken. Zo lichtte een “zittenblijver” me in en ik stelde me er heel veel van voor.
De eerste dag werd een teleurstelling voor wat dit onderdeel betrof. In het allereerste speelkwartier holde ik door de gang om het eerste buiten te zijn. In die gang liep ook de heer Schaft, onderwijzer en vader van de in de oorlog gefusilleerde Hannie Schaft.
Die meneer Schaft liep in tegenovergestelde richting van mij en ik keek achterom, of ik nog wel de eerste was. Ja, wat gebeuren moest, gebeurde ook: ik liep in volle vaart tegen hem op. En dat zou nou nog niet zo heel erg zijn geweest, als ik maar wat minder vlug was geweest, zowel met mijn voeten als met mijn tong. “Hé zeg, kijk uit!” zei ik tegen hem. En dat was mis. “Jij schrijft voor mij vandaag de eerste drie bladzijden uit het geschiedenisboek maar eens over”, zei hij. Op mijn mededeling, dat ik dit nog niet had, wist hij de oplossing ook al, de lieverd. “Krijg je straks. Kan je meteen eens studeren wat er in staat.”
En zo kwam het, dat mijn moeder ’s avonds vol trots kon vertellen, dat het een zware studie was, waar ik aan was begonnen. “Dat kind heeft de hele middag zitten schrijven, hele vellen vol. Ja, dat valt niet mee, hoor.”
Achteraf viel de studie wel mee. Ik kon het wel bijhouden, maar wat niet meeviel, dat waren de financiële consequenties van mijn opleiding. Te laat realiseerden mijn ouders zich, dat het allemaal veel meer kostte dan ze hadden begroot en ook de geldelijke inbreng, die ik zou leveren als ik was gaan werken, had hen aan het rekenen gezet. Bovendien waren we verhuisd van de Generaal de la Reystraat naar de Rijksstraatweg, zoals ik al eerder heb verteld en de kostganger had ons in de steek gelaten, zodat het al met al niet meer op te brengen was om mij op die school te laten. Het was afgelopen met mijn dagelijkse gesleep met mijn boekentas van de Rijksstraatweg naar de Jacobstraat, een wandeling van een uur heen en een uur terug. Ik moest gaan werken en op 15 mei 1928 zette ik voor het eerst mijn voet op de onderste trede van de maatschappelijke ladder. Meteen gleed ik er al van af.
Hoe ik aan mijn eerste baas ben gekomen, weet ik niet meer, maar die dag zou ik gaan beginnen als loopjongen bij een groenteboer in de Schaghelstraat. ’s Vrijdags had ik me bij hem aangemeld en ik was aangenomen, maar toen ik op die bewuste maandag bij hem binnenstapte, vol ijver om te beginnen, kreeg ik te horen dat het feest niet doorging, omdat hij een ander had genomen, één die niet zo klein was als ik en die veertien jaar was, zodat hij geen last kreeg met de arbeidsinspectie.
Ik af door de zijdeur. Toen ik thuiskwam zat er iemand, die wel wat voor me wist. Bij maison Weiers-Bleij in de Grote Houtstraat werd een loopjongen gevraagd. Ik ging er op af, het was ruim een uur lopen erheen, maar dat was niet zo’n probleem. Toen ik er aankwam, zag ik er blijkbaar nog vief genoeg uit, want ik werd aangenomen en kon de volgende dag beginnen. Voor vier gulden in de week mocht ik de hoeden wegbrengen naar de dames, die bij het “maison” een creatie hadden gekocht. Ik hoefde pas om negen uur te beginnen en dat kwam me goed uit, want die dag werd juist de zomertijd ingevoerd, dus de klok ging een uur vooruit, dus een uur korter nachtrust.
Om negen uur was ik present bij mijn eerste baas, of liever bazin. Eerst moest ik de winkel vegen en de etalageruit schoonmaken met een prop vloeipapier en toen begon mijn eigenlijke taak. Ik moest naar De Tramweg in Aerdenhout een hoed wegbrengen. Ik kreeg een houten ronde doos te dragen met een middellijn van ongeveer zestig centimeter. De houten deksel had een ijzeren rand, dat was steviger. Mevrouw had wat ervaring met vorige loopjongens, die al heel wat dozen hadden gemold. Het geheel kon gedragen worden aan een brede leren riem. Als de doos leeg was, mocht ik de riem over mijn schouder dragen, zodat de doos op mijn rug hing, maar als er een creatie in zat, dan moest ik hem horizontaal dragen, dus aan mijn arm. Ik heb me wel eens vergist en dan kreeg ik de hoed weer mee terug en kon dan een uurtje later de reis opnieuw ondernemen.
Goed, ik moest dus naar Aerdenhout, de eerste keer. Dat was een wandeling van anderhalf uur voor een jongen van dertien jaar met een hoedendoos aan zijn arm. Toen ik terug was gekomen, was het een halfuur pauze om mijn boterham op te eten in de keuken en toen moest ik naar Aerdenhout. Voor de tweede keer die dag. ’s Middags om vier uur was ik weer op mijn basis. Na wat huishoudelijke boodschappen, mocht ik voor de eerste dag om halfzes naar huis. Dat betekende toch weer een wandeling van ruim een uur en dan zat mijn dagtaak erop.
Ik was toen al lid van de AJC, dus we hadden ’s avonds onze bijeenkomsten in het jeugdhuis, meestal in Het Baken aan de Bakenessergracht 10. Dat betekende weer een flinke wandeling. Eerst verzamelen op de hoek van het Soendaplein en de Floresstraat. Daar gingen we meestal met zo’n stuk of tien naar toe, nadat het sectiehoofd je van huis had gehaald. Als de groep bij elkaar was, hadden we zo ongeveer veertig of vijftig meisjes en jongens bij elkaar en dan ging het in rijen van vier met muziek van mandolines en gitaren voorop, door de stad naar het Baken. Een wandeling van een half uur. Na (soms) een avond volksdansen werd de wandeling terug aanvaard en dan van het Soendaplein weer naar huis. Als je dan op die dag een uur of acht of negen had gelopen, dan liet de slaap niet lang op zich wachten. Dat mocht ook niet, want de volgende dag wachtten de dames weer op hun creaties en dat vergde weer lange uren voetenwerk. Ja, zo ging dat. Nu moet je ons niet gaan beklagen hoor. We hadden helemaal niet het gevoel, dat we beklagenswaardig waren. Integendeel. We waren gelukkig en blij. We waren het niet helemaal eens met de toestanden, waarin het hondje van de rijke het beter had dan het kind van de arme, maar we waren wel gelukkig. En de besprekingsavonden van de AJC leerden ons wat er nog meer te beleven was in de wereld dan het wegbrengen van hoeden en het afwassen voor rijkere dames. We hoorden over schilderijen spreken en over goede boeken. We leerden (een nieuw gezichtspunt voor mij), dat het nuttig was om je tanden te poetsen. En dat ben ik dan ook gaan doen, toen ik vijftien jaar oud was. Vóór die tijd had ik daar nooit iets over gehoord.
Zo schrijvende, ben ik een beetje afgedwaald van het bestijgen van de maatschappelijke ladder, waar ik het eigenlijk over wilde hebben. Waar had ik het ook alweer over? O ja, dat lopen met die hoedendoos. Mijn bazin was getrouwd met een man (uiteraard zou je zeggen). En die man had een aannemersbedrijfje in de De Qulerckstraat. En bij hem werkte Joop van Beelen, ook een AJC’er. Die lieden waren net wandluizen, ze zaten overal tussen. En die Joop dan, wist te versieren, dat ik zo af en toe de krullen mocht wegbrengen. Dat was een meevallertje. Ik moest dan op een zaterdagmorgen om zeven uur in de werkplaats zijn en dan moest ik de houtkrullen verzamelen en in zakken doen. Stevig aanstampen was voorwaarde, anders leverden ze geen vijf cent per stuk op. Als ik zo’n stuk of tien zakken had volgepropt, dan hielp Joop me om ze op de grote handwagen te laden. Dikke touwen hielden de zaak op hun plaats en dan ging het op weg naar de bakkerij. Welke dat was, weet ik niet meer. Maar de bakker zie ik nog voor me. Toen ik voor de bakkerij stond met mijn kar, kwam hij naar buiten en keurde de zakken. Met zijn grote, met meel bedekte handen duwde hij en kneedde hij de zakken en als ze naar zijn mening voldoende gevuld waren, mocht ik ze naar binnen brengen in het stookhok, waar ze lagen te wachten, tot de bakker ze in de oven zou stoppen om energie te leveren voor het bakken van brood. Als ik dan om negen uur met mijn eigenlijke dagtaak begon: het wegbrengen van hoeden, dan had ik die dag toch al een meevaller van twee kwartjes, voorwaar niet gek voor een jongen van dertien jaar. En trots als een pauw kwam ik dan op die zaterdagavond om zeven uur van mijn werk thuis, rijk als een vorst.
Op 23 november 1928 werd ik veertien jaar. Dat betekende dat ik officieel mocht gaan werken. Ik haalde een arbeidskaart bij de Raad van Arbeid en was dus gedekt, als ik werd aangehouden onderweg. Maar het gesjouw met hoeden zag ik niet als het einddoel van mijn carrière. Reeds lang had ik uitgekeken naar een passende baan. Ik wilde een vak leren, al wist ik niet welk. Mijn ouders hadden andere kopzorgen en verdiepten zich niet in mijn toekomst.
In de Jansstraat, op de hoek van de Ceciliasteeg stond drukkerij Planeta. Een kleine drukkerij met zes man personeel in het bedrijf en een juffrouw op kantoor. Voor het raam stond een bordje: Nette flinke jongen gevraagd. Omdat ik vond dat ik flink was en ook dat er aan dat nette niet zo veel mankeerde, stapte ik daar naar binnen en werd nog aangenomen ook.
Op 1 december 1928 zette ik mijn eerste schreden in mijn nieuwe baan en ik was dus typograaf. Nou ja, ik moest nog wel het een en ander leren, maar ik had een vak. En dat, terwijl ik veertien jaar en één week oud was. Nee, echt niet gek, hoor. Ik was gestegen op de maatschappelijke ladder, hoewel ik in weekloon er niet op was vooruitgegaan. Integendeel. Ik verdiende f 1,12 minder. Mijn loon bedroeg zes cent per uur, dus f 2,88 in de week. Mijn zakgeld ging dus ook achteruit, want 10% van f 4,- was f 0,40 en dat werd teruggebracht tot 30 cent.
’s Morgens om half acht moest ik beginnen, maar op zaterdag was ik om één uur vrij en tussen de middag had ik ook anderhalf uur, zodat ik naar huis kon om te eten. Bovendien mocht ik op de transportfiets naar huis, dus dat waren allemaal verbeteringen.
Een maand later was ik onderkruiver. Dat zat zo. In de typografie was de vakbond erg sterk. De typografenbond was de eerste vakbond in ons land en die waren al zo ver, dat het verplichte lidmaatschap van de bond ingevoerd was voor zowel de werknemers als de werkgevers. Zover zijn thans nog lang niet alle werkers gekomen, al zijn we 50 jaar verder.
Als de werkgever uit de bond ging, dan mochten de georganiseerde werknemers daar niet meer werken en de overheid mocht geen drukwerk laten uitvoeren door ongeorganiseerde drukkerijen. En wat deed meneer Zedel, mijn baas? Nou, die had het lidmaatschap voor de organisatie opgezegd per 1 januari 1929 en dus kwamen op 2 januari de drukker en de binders niet meer opdagen. De zonen van de baas, die op de zetterij achter de bok stonden, bleven natuurlijk wel aan de gang en ik ook. Wist ik veel van stakingen? Er kwam een drukker ergens uit het noorden. Die was niet in de bond en hij nam het werk van Dijkstra, de drukker, over. En ’s avonds liep hij met me mee naar zijn kosthuis. We werden gevolgd door een grote stoet mensen, die alsmaar liepen te schreeuwen en hun fietsbellen zwegen niet. Ze brulden: “Onderkruiver, maffer!” En ik begreep er niets van. In de Kloosterstraat ging hij rechtsaf en ik ging rechtuit, nieuwsgierig wat de volgers zouden doen. Niemand stoorde zich echter aan mij, alles ging achter de onderkruiper van hogere leeftijd aan en ze brachten hem helemaal naar zijn kosthuis en daar hingen ze nog heel lang rond, bellend en roepend en fluitend.
Bij Planeta werkte voor de staking ook Arie Verdonk, ook een AJC’er en die heb ik gevraagd, wat er allemaal aan de hand was. Hij heeft het me uitgelegd en ook, dat ik me er niets van aan hoefde te trekken. Daar was ik nog te klein voor.
De staking heeft een maand geduurd. Toen werd Zedel weer lid van de bond en kwamen de stakers terug. Hoewel voor mij nog niet de verplichting van het lidmaatschap gold, dat kwam pas als je achttien jaar was, heb ik me toch aangemeld en voor zes cent in de week was ik georganiseerd (toch nog een uurloon). Nog tien maanden, dan ben ik vijftig jaar lid van het NVV.
Mijn opleiding had in mijn ogen niet beter kunnen zijn. Ik zag het wel zitten: een allround-vakman zou ik worden. Ik zat achter het naaitafeltje om boekjes te naaien voor de NZH, ik denk, dat het dienstregelingen waren. Ik perforeerde met de handperforeermachine de kwitanties voor het gasbedrijf, ik draaide aan het grote wiel van de snijmachine, als Nol (zijn achternaam weet ik niet meer) papier sneed, ik mocht helpen de rollen wassen van de snelpers als Dijkstra overging op een andere kleur. En ik leerde de ligging van de letters in de letterkast. Op een kistje stond ik, omdat ik te klein was om bij de kapitalen te komen, als ik de loden lettertjes verzamelde in de zethaak. Ja, het werd wel wat met me, vond ik.
Van het loopwerk was ik af, maar het fietswerk was er wel voor in de plaats gekomen. Op een zware transportfiets moest ik het drukwerk naar de klanten brengen. En dat in die barre winter van 1929, waar ik het al eerder over heb gehad. De fiets was een doortrapper. Dat wil zeggen, dat er geen remmen op zaten. De trappers draaiden rond, als het achterwiel draaide: je kon je voeten dan niet stilhouden en het remmen moest gebeuren door te proberen de trappers tegen te houden. Dat viel niet mee, als er voor op de bagagedrager zo’n enorme vracht papier lag. Het gebeurde wel, dat die vracht zo zwaar was, dat ik eerst op de fiets moest gaan zitten. Dan legde Nol de pakken drukwerk erop en gaf hij me een duwtje, zodat ik op gang kwam. Bij de klant aangekomen zocht ik dan een muurtje of een boom op en probeerde de fiets een zachte landing te laten maken met de bagagedrager tegen het steunpunt van mijn keuze. Dan klom ik omzichtig van de fiets af, probeerde door druk op het zadel de zaak in bedwang te houden, greep dan snel naar de pakken drukwerk en meestal lukte de manoeuvre nog ook. Soms ging het mis en kwamen de pakken op de grond terecht. Had ik veel pech, dan viel er één uit elkaar en moest ik terug om ze opnieuw te laten inpakken.
Het was bikkelkoud in die dagen en als we ’s morgens om half acht binnenkwamen, dan stonden de bloemen dik op de ruiten. Mijn eerste taak was dan: kachels aanmaken en kolen scheppen. In de drukkerij was een deur, die leidde naar een binnenplaatsje. Daar was een hok en daarin lagen stukgeslagen kratjes, dat waren houten schotten, waar het nieuw aangevoerde papier tussen werd verpakt. In de stille tijd werden die kratten tot brandhout verwerkt. Met kromgetrokken vingers van de kou kwam Arie Verdonk uit dat hok op de morgen, dat ik voor het eerst een kachel moest aanmaken. Ik vond het erg aardig van hem, dat hij een arm vol houtjes voor me had. Wat wil je? AJC’ers onder elkaar, nietwaar? Toen ik het van hem wilde aannemen, heb ik weer eens een levensles geleerd, die ik nooit ben vergeten. “Sodemieter op. Pak het zelf maar”, zei-ie. In die seconde heb ik geleerd, dat je in het leven je eigen zaken moet aanpakken en regelen en niet te veel moet vertrouwen op anderen, al staan ze net zo dicht bij je, als AJC’ers. Na die barre winter kwam het voorjaar en ik leerde veel.
Te veel en te snel naar de zin van Nol, zoals ik veel later pas heb begrepen. Hij zag zijn positie in gevaar komen en hij greep in. Uit zijn gezichtspunt gezien terecht, al zal het voor hem alleen maar uitstel hebben betekend, voor mij is het beslissend geweest voor de verdere ontwikkeling van mijn vakopleiding.
Nol was, net als ik, als veertienjarige jongen bij Planeta gekomen en had van alles geleerd. Hij kon binden en zetten en drukken en snijden, maar in niets was hij echt vakman. Hij had voor niets een leerovereenkomst gehad en kon dus nergens examen in doen en dus nooit als vakman te werk worden gesteld. Hij voorzag, dat ik hem ging opvolgen en dat zou hem zijn werk gaan kosten, als ik zo ver was. Ik was jonger, dus goedkoper, dus zou hij eruit moeten.
Op een zondagmorgen zat hij bij ons thuis, onverwacht en niet aangekondigd. Hij voorspelde, dat ik nooit vakman zou worden en dat ik, als ik bij Planeta bleef, over een aantal jaren ook aan de kant zou worden gezet, als ze een andere jongen hadden opgeleid. Zonder leerovereenkomst, dus zonder examens en zonder diploma’s kwam je nergens in de typografie, dus ik moest zorgen voor een andere baas, waar ik een leerovereenkomst zou krijgen. Bij Planeta kreeg niemand een leerovereenkomst.
Mijn ouders hebben geluisterd en ik ook, zéér aandachtig. En ik voelde, dat Nol gelijk had. Ik voelde ook, dat hij niet uitsluitend in mijn belang was gekomen, maar hoofdzakelijk in zijn eigen, maar gelijk had-ie.
En de eerstvolgende woensdagmiddag belde ik in de tijd van mijn baas aan bij Drukkerij Groenendaal in het Ripperdapark 42. Ik werd te woord gestaan door de zoon van de baas, Rinus. Ik trof het, want er was een vacature als leerling-drukker en hij voelde wel wat voor me, zei hij. Ik moest de volgende avond maar terugkomen met mijn vader of moeder, want nu was zijn vader er niet. Die was naar de gemeenteraad, waarin hij zitting had voor de SDAP.
Kort en goed, twee weken later deed ik de volgende stap op de maatschappelijke ladder: ik werd officieel leerling-drukker, in afwachting van mijn leerovereenkomst. Ik heb nooit spijt gekregen van deze stap, hoewel ik nooit drukker ben geworden. Mijn weekloon ging omhoog: f 2,88 vond de baas zo’n gek bedrag en hij maakte er f 3,50 van.
Tegen de bedoeling in, begint dit toch een beetje op een levensbeschrijving te lijken, maar ach, zo’n uitstapje ertussendoor is misschien toch wel leuk om te lezen voor jullie.
Toen ik twee jaar mijn opleiding als drukker had gehad, vond Rinus het voor mij beter, dat ik letterzetter werd. De twee jaar, die ik daardoor zou verliezen, kon ik met zijn hulp wel inhalen. Hij was namelijk bezig met een studie voor leermeester op de grafische vakschool en hij wilde als onderdeel van zijn studie mij wel als proefkonijn hebben. Ik wilde ook wel en zo ging ik ’s avonds naar zijn huis in de Indischestraat 48 en werd in een halfjaar bijgespijkerd tot de derde klas van de avondschool. Twee jaar later deed ik examen en slaagde: ik was halfwas zetter. Maar in die vier jaar opleiding is er wel het een en ander gebeurd, zowel in de drukkerij, als thuis als in de AJC als in mijn gevoelsleven. Luister maar.
Volgens contract (dat was dus de leerovereenkomst) moest ik een bepaald aantal uren van de wekelijkse 48 werkelijk opleiding hebben onder leiding van een vaste leermeester. Verder mocht ik worden ingezet voor voorkomende klusjes, waaronder het wegbrengen van drukwerk.
Ik kreeg daarvoor de beschikking over eenzelfde transportfiets als ik had gehad bij drukkerij Planeta. Voorop de fiets een grote mand voor de pakjes drukwerk. Ik had geen hekel aan dat boodschappen doen, want hoewel het werk me uitstekend beviel, waren het wel lange dagen en het leek wel of de onderbrekingen de dag korter maakten, zodat ik vlugger naar huis kon en naar de AJC, waar we bijna iedere avond wel konden deelnemen aan een bijeenkomst, zoals volksdansen, zanggroep, spreekkoor, leesclub, trommel- of pijperles, natte his (natuurlijke historie, oftewel plant- en dierkunde), muziekgroep, enzovoort. Dit alles buiten de wandelingen en kampeerpartijen in de weekends in de zomer en de lezingen over kunst, politiek en nog veel meer in de winter.
Bij Groenendaal werkte ik van 8 tot 12 en van half twee tot 6 uur. Op zaterdag begonnen we om half acht en om 1 uur zat de week erop. We hadden een volle week vakantie per jaar en dat was niet weinig in die tijd, dankzij de sterke typografenbond. Mijn broer Herman, die in het metaalvak zat, had twee en een halve dag, waarvan die halve dag de zaterdag was.
Mijn leertijd bij Groenendaal heeft voor een zeer belangrijk gedeelte mijn latere levenswandel bepaald. Rinus heeft ongelooflijk veel invloed gehad op mijn houding toen en later en zelfs nu nog. Hij was een jaar of tien ouder dan ik en was lid van de geheelonthoudersjeugdbeweging; hij was vegetariër en overtuigd socialist. Hij had (en heeft nog) heel veel overtuigingskracht en als hij zich ergens voor inzette, dan deed hij dat voor de volle honderd procent en ik probeerde net zo te worden als hij. Dat is me niet gelukt. Zeker niet als directeur van de Amsterdamse Grafische School, waar hij aan de top stond van de Nederlandse grafische opleiding, maar ook als mens ben ik vast niet tot zijn hoogte opgeklommen. Ik bewonder hem nog steeds. Ik geloof, dat hij ook een zwak voor mij had (en nog heeft). Als ik eens iets had gedaan, wat niet door de beugel kon en dat wilde wel eens een doodenkele keer per ongeluk voorkomen, dan nam hij het voor me op tegenover zijn vader. Dat heeft hij me pas 45 jaar later verteld en pas toen werden me de ruziepartijen op het kantoortje duidelijk.
Zo moest ik eens een riem papier halen bij Geerts op de Nassaulaan, vlak bij de Zijlstraat. En wat is nou helemaal een riem papier, nietwaar? O, weet je dat niet? Nou, een riem papier heeft vijfhonderd vel. Van de dikte van het papier en de grootte van het vel hangt natuurlijk het gewicht af en ik reken even snel uit, dat dit pak papier ongeveer 25 à 30 kilogram woog. Ik moest lopen, omdat de fiets in gebruik was door een andere leerling. Maar het was niet zo ver, hoogstens een kwartier en dat is voor een veertienjarige jongen wel te doen.
Bij Geerts werkte Toon Carré. Juist, ook een AJC’er! En die reikte mij het riem papier aan. Het was bij deze binderij gelinieerd en moest bij ons bedrukt worden. Toon, een grote knul van een jaar of twintig, wist wel hoe je papier aanpakt. Hij vouwde de 500 vel in een handige beweging in drieën en legde de stapel op mijn schouder. En zo ving ik de terugreis naar het Ripperdapark aan. Het ging een hele tijd goed. Ik liep de Nassaulaan af en de Nassaustraat in. Ik stak de Kruisstraat over en liep de Ridderstraat in. En daar voelde ik er wat voor om de stapel nu ook eens op mijn andere schouder te torsen. De manoeuvre slaagde wonderwel. Het papier was wel iets aan het schuiven gegaan, maar alarmerend was dat niet.
Op de hoek van de Jansstraat en Ridderstraat verwisselde ik weer van schouder, maar het ging al wat minder vakkundig dan de eerste keer en bovendien begonnen de 25 kilo steeds zwaarder te worden, naar het scheen. Een derde poging tot het evenredig distribueren van de vracht over mijn beide schouders kon helemaal niet meer bogen op zelfs de minste schijn van vakkundigheid en op het gedeelte tussen de brug van de Nieuwe Gracht en de Parklaan kwam ik volledig in de puree te zitten. Het papier begon zich steeds eigenzinniger te gedragen. Elk vel van de 500, die zo netjes op mijn schouder hadden gelegen, begon een eigen leven te leiden en schoof weg van het vel erboven en het vel eronder en het werd me een toestand om van te huilen. Niet zo erg huilerig aangelegd van huis uit, was ik er nu toch dicht bij. Ik kon geen vel meer in bedwang houden. Ik had ook nog nooit geleerd, hoe je, door de lucht eruit te strijken, een hele stapel papier als het ware tot één blok kan samenbundelen. Ik legde het hele zootje op de stoep van drukkerij Jacobson, die toen stond op de hoek van de Jansstraat en de Parklaan. Ik ging naar binnen en mocht daar naar de baas bellen, aan wie ik vertelde, dat ik niet verder kon komen, omdat het riem papier “in pastei” lag. Even later kwam Jo Amama, een halfwas-zetter van twintig jaar, me assisteren. Hij stootte de stapel gelijk, streek de lucht eruit, zwaaide de stapel op zijn schouder, die veel en veel verder van de aarde verwijderd was dan de mijne en we stapten lachend in de richting van het Ripperdapark. En toen kwamen we de baas tegen in zijn stofjas nog wel. Heel ver van ons verwijderd begon hij zijn verhaaltje al af te steken. En omdat hij nog zo ver weg was, moest het nogal luid klinken ook. En of hij zijn best deed! En omdat hij misschien bang was, dat de kern van zijn betoog niet geheel tot me zou doordringen, doorspekte hij zijn indrukwekkende rede met de meest overtuigende vloeken, die hij kon bedenken of die zo maar spontaan bij hem opkwamen. Ik liet het allemaal maar over me heen gaan. Terugvloeken, daar was ik nog niet aan toe, dat kwam pas enige jaren later, toen ik merkte dat het werkte.
Het was een harde leerschool, die ik meemaakte. Maar ik stond daarin niet alleen. Ieder arbeiderskind in die tijd maakte hetzelfde mee, ieder op zijn terrein en in zijn omgeving. Je moet dit verhaal dus zien als iets, dat ieder van mijn leeftijd je zou kunnen vertellen, al zouden de omstandigheden wat anders zijn, de belevenissen en de ervaringen waren gelijk.
Als de werktijd achter de rug was, ’s avonds, dan wachtte de avondschool, ten minste voor degenen, die een echte opleiding als vakman kregen. Die school stond aan de Kleverparkweg en begon om half zeven. Op de avond, dat ik naar school moest, mocht ik om halfzes weg. Dat stond in het “contract”. Bij mijn vader in de werkplaats in de Lange Herenstraat at ik een boterham en dan liep ik naar de Kleverparkweg, want ik had nog geen fiets. Om negen uur was de school afgelopen en de wandeling naar huis aan de Rijksstraatweg duurde wel een half uur, zodat mijn dagtaak er om halftien ’s avonds op zat.
Toen ik ongeveer zestien jaar was, kocht mijn broer Joop een fiets (hij was toen 22) en het oude beestje, waar hij tot dan op had gereden, werd mijn eigendom. En dat was me wat! Schatrijk was ik ermee.
Een nieuwe fase werd in die tijd ingeluid. Ik was zestien, had een fiets, had werk, wat in deze tijd steeds zeldzamer werd, en bovendien: in deze tijd ontmoette ik Wilhelmina Cornelia Broekman. Nou ja, ik kende haar wel uit de AJC, maar ik bedoel maar: ik leerde haar kennen.
Nu begrijp ik wel, dat je daar graag wat meer van wilt weten, maar of ik jullie nou eens precies uit de doeken ga doen hoe de romance tussen Oma Wil en mij in zijn werk is gegaan, nou, daar moet ik eens goed over peinzen. Ik heb het gevoel, dat je daar weinig van zult lezen.