Verhalen uit de jaren 20 en 30: Ga gebukt staan

In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.

Hoofdstuk 9: GA GEBUKT STAAN

In mijn brief over wijzer worden heb ik al iets geschreven over onze school. Maar dat ging niet speciaal over hoe het er daar toe ging. Daar wil ik nu eens wat meer over vertellen.

In onze tijd bestond er alleen maar klassikaal onderwijs. Iedere les werd gegeven aan alle leerlingen tegelijkertijd. Als je een gemiddelde leerling was, dan zat je wel goed, maar was je boven het gemiddelde, dan ging het allemaal een beetje te langzaam en je verveelde je af en toe wel een beetje, omdat je het allemaal allang had begrepen, als de meester of de juffrouw het nog eens stond uit te leggen aan degenen, die het nog niet precies door hadden. Was je echter een langzame leerling, dan zat je ook niet lekker, want je had het graag nog eens vernomen van die moeilijke som of van die ‘d’ of ‘dt’. Maar daar was dan geen tijd voor. De onderwijzer moest zich instellen op de gemiddelde leerling en hij moest zijn programma afwerken binnen de daarvoor gestelde tijd. Dat was al met al wel een reden voor vele leerlingen, om een hekel aan school te krijgen en velen hadden die hekel dan ook hartgrondig.

Hoe zag ons schoollokaal er eigenlijk uit, vergeleken met de lokalen van deze tijd? Ik probeer het te beschrijven. De school, waar ik op ging, in de Overtonstraat, was een uitzondering. Het gebouw was splinternieuw en supermodern. Van alle plaatsen in de omtrek kwamen er mensen (ik weet niet wat voor mensen) onze school bezichtigen. Daarom praat ik nu liever over de andere scholen, een algemeen beeld dus van de school in onze tijd.

Heel vaak moest je, om in de school te komen, een hek door. Je kwam dan op de speelplaats, welke, je raadt het al, diende om erop te spelen. Maar het was voor de onderwijzers wel prettig, dat hek, want zodoende konden ze er goed oog op houden, dat de kinderen binnen hun bereik bleven: het hek was gesloten en we konden er dus niet uit (en ook niet in, als we te laat waren).

Als ’s morgens om negen uur de schoolbel luidde, dan gingen de kinderen ‘in de rij’ staan, klas bij klas, vooraan de meisjes, achteraan de jongens, ten minste op die scholen, waar jongens en meisjes al in één klas les kregen en dat was bij veel bijzondere scholen nog lang niet het geval. Niks hoor: jongens en meisjes niet bij elkaar, stel je voor!

Klas voor klas ging dan de school in, voeten vegen en mondjes dicht. Tot die tijd bleef de deur van de tempel der wijsheid potdicht. Alleen de meesters en juffrouwen mochten tussen de opdringende kinderen door het heiligdom betreden. Maar na de bel gingen de leergierigen in rijen van twee hun domein binnen. In de lange gang hingen ze hun jassen aan de kapstokken. Voor de eerste en tweede klas waren die kapstokken aangeduid met plaatjes van vogels en bloemen, zodat de jongsten, die nog geen raad wisten met cijfertjes en lettertjes, hun jas of mantel konden terugvinden aan de hand van het plaatje. Voor de oudere kinderen waren de ijzeren haken genummerd; ieder had zijn vaste nummer gedurende het gehele schooljaar. Als het had geregend en de jassen waren nat, dan kwam er in die gang een lucht te hangen, die nergens anders op lijkt dan op natte jassen in een schoolgang. Echt waar, er is werkelijk niets, dat in de verste verte maar een lucht heeft, die daarop lijkt.

En dan kwamen ze het lokaal binnen, heel stil en heel rustig, want je was ‘op school’ en daar werd niet geschreeuwd of gehold en maar zelden gelachen.

Daar stonden ze dan, de banken. In drie rijen netjes gericht achter en naast elkaar. Onze klassen waren niet zo groot, ongeveer dertig leerlingen, dus dat was wel gunstig. De banken waren aan elkaar los-vast bevestigd door de zware houten grondsteunen, die als een gewricht (een knobbel en een holte) met elkaar waren verbonden. De grootste banken stonden achteraan, de kleinste vooraan, net een schouwburg. Langs de wanden hingen de platen, die thans graag gekocht worden, omdat ze zo heerlijk ouderwets zijn: De man met de aap; Overwintering op Nova-Zembla; Een kolenmijn in doorsnede; Rijstvelden op Java (dat lag in Nederlandsch Indië, dat toen nog van ‘ons’ was).

In de moderne scholen stonden onder het raam twee gaskachels en aan het plafond hingen electrische lampen. Maar in de wat oudere scholen werden de lokalen nog verwarmd door grote Salamanderkachels, gestookt met kolen. Het turfstoken op school heb ik niet meer meegemaakt, maar van mijn broer Joop, die ongeveer zes jaar ouder is dan ik, weet ik, dat in de school in Oud-Schoten nog met turf werd gestookt.

De conciërge had tot taak om in de winter ’s morgens de kachels aan te maken vóórdat de school begon. Tijdens de lesuren kwam hij dan af en toe het lokaal binnen met een grote kolenkit. Hij porde dan in het vuur, haalde de asla leeg en vulde de kachels bij.

Om te voorkomen, dat wij onze lieve kleine vingertjes zouden branden aan die grote, hete dingen, stond om de kachel een hoog ijzeren scherm, waardoor wel weer veel van de warmte niet tot ons doordrong, maar ja, de veiligheid eiste haar tol nu eenmaal.

De gaskachels werden door de meester zelf aangestoken, maar niet dan nadat een blik op de thermometer hem ervan had overtuigd, dat het koud genoeg in het lokaal was en dat hij geen standje van de bovenmeester zou krijgen.

Die winterse dagen waren toch wel gezellig, op school. Als het donker weer was in het midden van de winter en zo ’s middags om een uur of drie, als het te duister werd om nog te werken, dan ging de meester boven op de bank staan. Hij draaide het kraantje van de gaslamp open en met een lucifer bij het ‘kousje’ ontstak hij het zacht suizende licht. Als hij door het kousje heen stak, ontstak hij in woede, want dan moest de conciërge komen om er een nieuw kousje in te zetten.

Vooral als het vrijdagmiddag was en de lampen gingen aan, dan was het echt genoeglijk. Dan ging Henk Suurmans het laatste uur sprookjes vertellen. En dat kon-ie, hoor! We mochten dan met drieën in één bank zitten in plaats van twee en zoveel mogelijk naar voren. Zo, dicht bij elkaar in de banken (nee, natuurlijk geen jongens en meisjes in dezelfde bank) luisterden we naar de sprookjes van Andersen en van Grimm, die hij allemaal uit zijn hoofd navertelde. Momenten, die je bijblijven, je hele leven lang.

Maar ik ben afgedwaald. Ik was aan het vertellen over de inrichting van het lokaal.

De onderste vensters waren altijd zo hoog, dat de kinderen niet naar buiten konden kijken. Dat leidde maar van het leren af. Bij veel scholen waren die onderste ramen ook nog wit geschilderd, waardoor voldoende aandacht voor de lessen gegarandeerd moest worden. Alleen de meester of de juffrouw, gezeten op de verhoging vóór de klas, kon zien wat zich op de straat afspeelde, maar de kinderen, die, al of niet verdiept in een reken- of taalkundig vraagstuk, naar buiten staarden, konden slechts de hemel zien. De hemel, die blauw was of bewolkt en waar af en toe een vogel voorbijvloog. Maar verder zagen ze alleen hun schrift of het schoolbord voor de klas, waar de meester moeilijke opgaven op had geschreven. Of ze zagen de landkaart van Nederland of Indië en ze dreunden in koor de namen op, die de meester van ze verwachtte, als hij met zijn aanwijsstok de rode stippen op de kaart aanwees.

De banken hadden een ‘kastje’, een soort open lade onder het schrijfblad, waar de schriften in konden worden opgeborgen. Ik denk, dat jullie die banken nog wel kennen van het zien. In het midden van de bank, bovenaan in het schrijfblad, was de inktpot, één van de weinige dingen, die tot baldadige inspiratie konden leiden. Als je namelijk in een tamelijk volle inktpot een stukje carbid liet vallen, dan bruiste de hele pot met blauwachtig schuim. Het liep dan over de bank en dan waarschuwde je de meester, dat je inktpot ‘zo gek’ deed. Ik vraag me nu af, of ze het nooit hebben doorgehad of dat ze zo paedagogisch waren om net te doen alsof. Het laatste zal wel het geval zijn geweest.

Ze waren namelijk lang niet gek, die onderwijzers. Hoewel? Er liepen vreemde snurkers tussen, zoals Sara van Alfen, die bij Oma Wil op school was. In de ogen van ons, kinderen, waren de onderwijzers al heel gauw vreemde snurkers en vooral de onderwijzeressen werden door ons beoordeeld op gedrag, maar vooral op uiterlijk. Zo hadden we juffrouw Melchior, die in het bezit was van een nogal overdreven povlakte en daarom de bijnaam had: Juffrouw-Kontje Achteruit. Meester Dekker, die beschikte over een vér-bovenmaatse onderlip, heette; Aappie en meester Van Asperen, wiens voorhoofd was voorzien van een grote vetknobbel, heette: De Bult. Maar over hun gedragingen is niet zo bijzonder veel te vertellen. Natuurlijk: zij waren de ongekroonde koningen in de klas. Wat zij zeiden was een onaantastbare waarheid voor ons. Zonder enige vorm van critiek werd dat aanvaard. En zo hoorde het ook. Als zij de kachel aanstaken of het licht, dan was dat nodig. Als zij in de zomer een temperatuur van 79 graden Fahrenheit nog werkzaam vonden, maar bij 80 graden zeiden dat we naar huis mochten gaan, dan waren die besluiten genomen in hun grote wijsheid van onderwijzer. En daar werd door ons niet om gelachen.

Maar met Sara was het toch wat anders. De leerlingen, die bij haar in de klas zaten, konden haar methoden niet altijd critiekloos aanvaarden. Sara was wat we tegenwoordig een hanepen noemen. De kinderen waren bang voor haar, als ze over haar ijzeren brilletje met de smalle ovalen glazen de klas inkeek. Ze zaten doodstil, als ze langs de banken patrouilleerde, haar lange rokken bijna over de grond slepend, haar vogelkopje snel en driftig in alle richtingen draaiend om eventuele onregelmatigheden snel de kop in te kunnen drukken.

Op deze wandelingen langs de banken snoof ze dan met haar spitse neusje natuurlijk de luchtjes op, die de kinderen uitstraalden. De kinderen, die nog nooit van een huis met een douche hadden gehoord en die hoogstens éénmaal in de week schoon ondergoed aankregen, maar vaak slechts eens in de veertien dagen. Vooral als het had geregend en de kousen nat waren geworden dwars door de lekke schoenen heen, dan had ze wel wat te snuiven.

Maar als ze op een wandeling dan een luchtje tegenkwam, dat niet door het lichaam of de kleding werd uitgestraald maar het gevolg was van het ontsnappen van darmgas door een van de kinderen, dan was het goed mis.

‘Pennen neer’, commandeerde ze dan, terwijl ze naar het kleine podium voorin de klas beende. Vanuit de hoogte op de angstige kinderschare neerziend wierp ze de niets en niemand ontziende vraag in de arena: ‘Wie stinkt er zo?’

Vanzelfsprekend kwam er niet één vingertje in de hoogte. Ze keken wel uit. En dan paste Sara de door haarzelf uitgevonden methode toe. Een methode, zo simpel en zo doeltreffend, dat er geen ontkomen aan scheen te zijn. ‘Ga allemaal gebukt staan’, riep ze dan met een snerpend stemmetje.

Als alle kinderen dan de bevolen houding hadden aangenomen, dan ging Sara de rijen langs, haar spitse damesneusje zo dicht mogelijk brengend bij de plaatsen, waar de gewraakte gassen meestal ontsnapten. Kind voor kind kreeg een geurproef te ondergaan en als de snodaard het geluk had, dat ze net aan de voor hem of haar goede, maar voor Sara verkeerde kant van de klas was begonnen, en als de lucht niet al te gecomprimeerd was geweest, dan was de atmosfeer al weer zo ver gezuiverd, dat de doeltreffendheid van de Van Alfense methode toch in twijfel kon worden getrokken. Maar och arme, als er nog wat te genieten viel van de losgelaten aroma. Dan werd Sara briesend en de misdadiger werd de gang op gestuurd, waar hij zich kon vermaken met het tellen van de jassen en mutsen en petten. Was de uitgebannene iemand met fantasie en durf, dan wist hij de op de gang doorgebrachte tijd te doden door het verwisselen van petten en mutsen en het dichtknopen van mouwen van de mantels van de meisjes, hetgeen ook niet zonder gevaar was, want die meiden waren wel eens zo kinderachtig, om Sara op de hoogte te brengen van de zo radicaal gewijzigde toestand hunner kledingstukken.

Op die school van Oma Wil, de school met het hek op het Leidscheplein in Haarlem, werd in die tijd ook nog turf gestookt in de kachels. En dat was niet altijd een onverdeeld genoegen voor de leerlingen, want als de wind op de schoorsteen stond, blies hij de rook van de turf terug naar de plaats van herkomst en dus kwam het klaslokaal blauw te staan. Om meester Ot, in de wandeling Jan Ot genoemd, in de gelegenheid te stellen boven het rochelend kuchen en hoesten van de kinderen uit te komen werden dan met de lange stok met een haak eraan de bovenste ramen opengezet, zodat de damp minder werd. Dat tegelijk met dat minder worden ook de temperatuur in de klas daalde, was een minder plezierige bijkomstigheid, maar ja, niets in deze wereld is nu eenmaal volmaakt, dus het werd allemaal zonder revolutionaire opstandigheid als een gewone zaak aanvaard.

Die kachels van onze tijd hebben ook nu nog hun nasleep, ik kan me anders niet voorstellen hoe jullie in deze tijd aan krokus- en herfstvacantie hadden moeten komen, als wij niet in de stank van de turf- en andere kachels hadden gezeten. Weet je, hoe naar mijn mening die vacanties zijn ontstaan? Als ik me vergis, moet je het maar zeggen.

Als de zomer op zijn eind liep en de scholen vanaf half augustus weer bezig waren geweest om ons te leren, dat er verschil was tussen koolen en kolen en dat een bijvoeglijk naamwoord met sch werd geschreven, maar een bijwoord met een enkele s (hij werkte dagelijks voor zijn dagelijksch brood), dan kwam de herfst en met de herfst kwamen de koude en natte dagen en daarmee werd het tijd om de kachel te zetten. We kregen dus drie dagen kachelvacantie en als we weer op school kwamen, dan stond hij er weer: de grote zwarte salamander met het ijzeren scherm eromheen.

Toen bij ons op school de gaskachels kwamen te staan, bleek dat die in de zomer niet werden weggehaald en dat bezorgde ons de angst, dat onze kachelvacanties wel eens tot het verleden zouden kunnen gaan behoren. Die vrees is ongegrond gebleken: de vacanties gingen gewoon door. En ook thans, in 1978, hebben jullie nog in het voor- en najaar een week vacantie, die jullie onvoorwaardelijk te danken hebben aan onze kachels. Wij, van de oudere generatie hebben zo hard gekucht en gehoest, dat de onderwijzers van nu het nog in hun oren horen doorklinken. En daarom en daarom alleen, krijgen jullie nu krokus- en herfstvacantie. Of niet soms?

Ik heb het al meer geschreven: de school in de Overtonstraat was zeer vooruitstrevend. Zo zeer zelfs, dat Piet de Zomer het aandurfde om een paar experimenten met ons uit te halen. Hij had op zijn tafeltje een bakje met pennen staan. Misschien ken je ze nog wel. Kroontjespennen bedoel ik. Je had een penhouder en daarin pasten deze pennen. Om de paar weken was zo’n pen versleten. Hij schreef dan erg dik en de dunne ‘ophalen’ waren niet meer te onderscheiden van de dikke ‘neerhalen’. Bij de les ‘schoonschrijven’ kregen we altijd allemaal een nieuwe pen, altijd nog een investering van zeg maar 30 x ƒ 0,005 = ƒ 0,15. Maar als tussentijds een pen was gesneuveld, een proces, dat we steeds probeerden te verhaasten, dan behoefden we niet onze vinger op te steken en meewarig te declameren: ‘Meester, m’n pen is kapot.’ Nee, wé mochten zonder meer onze bank verlaten en naar het tafeltje van de meester stappen om een nieuwe pen uit het bakje te halen. Dat was iets, dat zelfs in de andere klassen van onze school nog niet was bereikt.

Met onze nieuwe pen stapten we triomfantelijk terug naar de bank en zorgvuldig werd hij in de houder geplaatst en dan moest er ‘gelikt’ worden. De pen was namelijk een beetje vettig om roesten tegen te gaan en dat vet moest er worden afgelikt, een serieuze en langdurige ceremonie die aan het in gebruik nemen voorafging.

Ook had Piet de Zomer kladpapiertjes op zijn tafeltje liggen, die wij naar behoefte konden gaan halen. En van de potloodslijper, die in het kozijn was gemonteerd, mochten we vrij gebruik maken. Dat laatste heeft heel wat potloden gekost, want het was een kostelijk gezicht om die lange potloden steeds korter te zien worden en ze te zien verdwijnen in het gaatje van de slijper, terwijl het doorzichtige opvangbakje steeds voller werd.

’s Zomers, als het erg warm weer was, mochten we in het speelkwartier op de speelplaats drinken. Er was bij ons al een fonteintje op die speelplaats. Als je op een verchroomde ring drukte, spoot er een straaltje water uit en dat kon je dan met de mond opvangen. Onder toezicht van één van de onderwijzers stonden we in de rij voor dat instrument van technisch vernuft en we wachtten geduldig tot het onze beurt was om van het kostelijke vocht te mogen genieten. En als we hadden gedronken, gingen we weer achteraan in de rij staan, totdat de bel het einde van het speelkwartier aankondigde. Dan deed Schouten, de conciërge, iets zeer geheimzinnigs ergens in de ingewanden van de school en we konden dan op de ring drukken wat we wilden, maar er kwam geen druppel meer uit.

Als het niet zo heet was, dat we gedurende het gehele speelkwartier aan de ‘ring’ hingen, dan speelden we, per slot was daarvoor ook de naam ‘speelkwartier’ uitgevonden. De jongens speelden meestal apart. Dat gedraai van die meiden met zo’n touw en dan maar springen en waarempel nog zingen ook daarbij, dat was niets voor ons, hoewel… soms stonden we in stomme verbazing naar die ‘mokkels’ te kijken, als ze hun diabolo tot aan de rand van de dakgoot opgooiden en hem dan weer even zo fris opvingen op dat touwtje, dat ze strak hielden tussen twee stokjes. Met wat gebalanceer van die stokjes werd de diabolo dan weer snel aan het draaien gebracht, de stokjes werden met een ruk uit elkaar getrokken, het touwtje kwam strak te staan en hup, daar ging het apparaat weer op weg naar de dakgoot. We haalden misprijzend onze mannenschouders op en gingen aan ons eigen spel. Maar als we van onze zusjes of van een ander zo’n ding eens te pakken konden krijgen, dan probeerden we heel stilletjes, als er niemand in de buurt was of achter in de tuin, zo tegen dat het donker was, zo’n eigenwijs stuk speelgoed op zo’n touwtje te laten balanceren. Als jullie het aan niemand verder vertellen, dan wil ik hier in het diepste geheim verklappen, dat het mij nog nooit is gelukt om een diabolo op het touwtje aan het draaien te krijgen. Over opgooien praten we dan helemaal maar niet. Hoogstens over wegsmijten, als het me weer niet lukte. Die rotmeiden toch! En die rot diabolo’s, die altijd maar weer gehoorzaam op hun eigen touwtje van uit de hoogte neerdaalden.

Nee, wij mannen gingen bok-bok-herrie spelen. Eén jongen ging met zijn rug tegen de muur staan, de andere jongens van zijn partij vormden de bok. De eerste stak zijn hoofd tussen de gespreide benen van zijn maat tegen de muur, de tweede bukte en stopte zijn krullebol op zijn beurt onder het achterwerk van de eerste en zo vervolgens. Afhankelijk van het aantal deelnemers vormde zich zo een rij gebukte knapen, zogezegd ‘kop-aan-kont’, de zwakste stond tegen de muur, de sterksten bukten het eerste en stonden dus zo dicht mogelijk bij de muur. Dan kwam de tegenpartij in actie. De grootsten en sterksten eerst. Zij sprongen zo ver mogelijk naar voren op de slang en probeerden te blijven zitten, ook als hun maat boven op hun rug terechtkwam en daarna misschien nog één. Dat was hun opdracht: blijven zitten of hangen, er mogen geen voeten de grond raken, tenzij de onderstaande tegenpartij bezweek onder de last, dan hadden de springers gewonnen en moesten de bokken opnieuw een slang vormen, net zo lang, tot ze het presteerden om de hele equippe van de tegenpartij te torsen gedurende het uitspreken van de verlossende kreet: Bok-bok-herrie, hoera, hoera, hoera!

Waren er niet genoeg deelnemers te vinden voor bok-bok-herrie, dan deden we het net als in de straat, waar we niet over zo’n groot arsenaal jongens beschikten. We speelden: hakmes-lepel-brilleschaar, hoge hoed of stinksigaar. Het principe van de eerste jongen tegen de muur en de tweede gebukt met zijn hoofd tussen de benen van de eerste, was gelijk aan dat van bok-bok-herrie. Maar dan kwam het verschil. De derde jongen sprong op de rug van de gebukt staande jongen en de eerste zong dan: Hakmes, lepel, bril, schaar, hoge hoed of stinksigaar. De tweede jongen, hoog op zijn wiebelende zetel, moest dan uit deze zes mogelijkheden één uitkiezen en via voor de hand liggende gebaren aan de eerste jongen zijn keus kenbaar maken. De derde jongen moest dan raden wat de tweede had gekozen. Als hij het goed had geraden, mocht hij van plaats wisselen met de tweede, die op zijn beurt van plaats ruilde met de eerste. Een leuk spel, dat we eindeloos speelden en waar ieder ongeveer gelijke kansen had om te mogen springen. Ten minste, als alles eerlijk ging. Als je echter een soort overeenkomst met één van de anderen kon sluiten, dan kon je het aantal springbeurten aanmerkelijk opvoeren, zolang het maar niet in de gaten liep. Kijk, dat deden we zo: Het gebaar van de hooggezetene was met één hand wel na te bootsen en als je als eerste jongen stond, dus met je rug tegen de muur, dan kon je dat gebaar wel doorgeven aan je compagnon, die gebukt stond en die dus altijd raak raadde en zodoende nooit meer dan één keer hoefde te staan. Een nieuweling trapte daar altijd wel in, maar kreeg na verloop van een paar keer toch wel het gevoel, dat er iets mis was, waarna hij het spel spoedig staakte, de lammeling. Het ging net zo lekker.

Op het schoolplein speelden we ‘zandhappertje’ en ‘landveroveren’. Dat was ‘mannenwerk’, vooral zandhappertje. Van een hoopje vochtig zand werd een bergje gemaakt en daarin werd een stokje gestoken. Met een van huis meegenikt mes werd het stokje het bergje ingeslagen, rechtop naar beneden getikt met het heft van het mes. Om de beurt één tik op het stokje. Dan werd er om de beurt een vlakje zand weggesneden, net zo groot of net zo klein, als je zelf wilde. Nu was de kunst om zoveel zand weg te snijden dat het stokje net bleef staan en je tegenstander, die aan de beurt was zo min mogelijk kans had om zand weg te snijden, zonder dat het stokje omviel. Als hij daarin niet slaagde, dan was hij nog niet jarig. Weer werd het bergje geformeerd en dan werd het stokje zover in het zand gedrukt, dat het nog net zichtbaar was. Met zijn mond moest hij dan het stokje eruit halen. Dat zou op zichzelf nog wel te doen zijn geweest, maar de tegenstanders hadden het recht om hem op zijn hoofd te duwen op elk door hen gewenst moment. Vanzelfsprekend zocht je dan het moment uit, dat hij net met een geopende mond boven het bergje zand zat. Hij kreeg dan zijn mond vol zand en dat was het ogenblik van triomf voor de overwinnaar, die wraak nam voor de momenten, dat hijzelf stevig in het zand had gebeten.

Landveroveren was minder spectaculair. Toch deden we dat meer dan zandhappertje, omdat voor het laatste spel niet altijd voldoende deelnemers waren te vinden. Een vlak stukje zand werd verdeeld in een rechthoek van 30 x 40 cm door het trekken van een lijn met een mes. Het vlak werd in twee delen verdeeld en ieder kreeg een gedeelte. Met het mes werd in het vijandelijke gebied gegooid, waar het rechtop moest blijven staan. In de richting van de snede werd de lijn doorgetrokken en dat stuk werd bij het eigen stuk gevoegd. Konden er onder het heft van het mes twee vingers worden geplaatst, dan ‘stond’ het, anders ‘lag’ het en was je beurt voorbij. De bedoeling was, dat je het gehele gebied van je tegenstander veroverde. De twee tegenstanders werden bij hun strijd altijd met raad en vaak ook metterdaad bijgestaan door een hele schare supporters, wat de sfeer en de spanning zeer verhoogde.

Ja, ja, die school van ons. Zo modern als hij toen ook was je zou vreemd opkijken, als je er nu binnenstapte en alles zou nog zijn zoals het toen was.

We hadden een echte filmzaal, want de film begon terrein te winnen. De eerste voorstelling herinner ik me nog heel goed. We zaten dicht bij elkaar en heel dicht bij het erg kleine scherm. Het filmtoestel (het woord: projector kenden we niet) was voorzien van een petroleumlampje en meester Suurmans draaide aan een slingertje om de beelden in beweging te brengen. Een nokje aan een excentriekje zorgde voor het filmtransport en van de snelheid, waarmee de meester slingerde hing het af, hoe springerig de kereltjes op de film zich bewogen. Als hij moe werd in zijn ene hand, dan stopte de film even om hem de gelegenheid te geven zijn andere hand te gaan gebruiken. En wij genoten! Toen ik in de hoogste klas zat, was er electriciteit en kwam er een echte projector. Nee, niet als eigendom van de school, maar hij was van de gemeente en af en toe was hij dan op onze school.