Verhalen uit de jaren 20 en 30: Wijzer worden

In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.

Hoofdstuk 6: WIJZER WORDEN

Net als alle kinderen ben ik niet geboren, compleet met de kennis en de wetenschap, die ik in latere jaren pas heb kunnen vergaren. Daarvoor was scholing nodig, een scholing, die ik heb gekregen zowel thuis, als op school, als in de jeugdbeweging. En ook mijn leermeesters in het typografenvak hebben hun bijdrage geleverd, niet in het minst mijn leermeester Rinus Groenendaal, de latere directeur van de Amsterdamse Grafische School in de Dintelstraat, waar ik tot vandaag de dag nog contacten mee onderhoud.

En dan die schoolmeesters van me, een heel stel wat nu wel genoemd wordt: Rooie Honden. Wat waren die in het jaar 1920 hun tijd al ver vooruit! Ik denk aan Suurmans, die technisch adviseur was van de pas opgerichte Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs, oftewel de VARA, Piet de Zomer, secretaris van de SDAP, en Henk Oets, die later iedere woensdagmiddag voor de radio het vragenuurtje van Ome Henk verzorgde. Hij was ook één van de oprichters van de VARA en zat tot zijn dood in de oorlog in het hoofdbestuur van de VARA.

Verder hadden we nog Van Asperen, de meester van mijn broer Joop, hoofdbestuurder van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, Piet van Gessel, voorzitter van de Coöperatie Vooruitgang, en Dirk Leguit, secretaris van die coöperatie.

De school begon om negen uur, ’s morgens en toen ik voor het eerst naar school ging, was dat niet te vroeg, want het was vlak bij huis. Op het Pretoriaplein stond een houten noodschool met zes lokalen, dus drie leerjaren, want elk halfjaar gingen we over, van klasse 1a naar 1b, van 2a naar 2b en zo vervolgens.

Er stonden ook nog een paar rijen noodwoningen, houten keten met één kamer en een keuken en een wc, als zichtbare gevolgen nog van de oorlog 1914-1918.

Veel herinner ik me niet meer van de tijd, doorgebracht op dat houten noodschooltje. Wel weet ik nog, dat Henk (ja, ik weet het weer, hij heette ook Henk) Suurmans mij altijd uitzocht voor “speciale opdrachten”. Ik mocht de schooldeur opendoen, als er werd gebeld, ik mocht naar Piet Emmer op de hoek van de Paul Krugerstraat en de Generaal Bothastraat om een grote taaipop te halen en het stuk dat er bijgevoegd was om aan het gewicht te komen, mocht ik tijdens de les opeten, dezelfde les, waarin hij uitlegde hoe de klank “eu” geschreven moest worden en waar ik nu nog vaak aan denk: eerst het gaatje en dan de twee gangetjes naar boven, net als bij je neus.

Ik mocht voor hem appels halen bij de groenteboer op het plein. Hij legde ze netjes op een rijtje op de plank in de kast en elke morgen tijdens het speelkwartier schilde hij er een en at hem op. De plank in de kast was altijd net één appel te kort en die ene was dan voor mij.

In diensttijd mocht ik in de gang zijn fiets schoonmaken en tijdens die werkzaamheden is het mij voor het eerst gelukt om te fluiten, waar ik bijzonder trots op was en hele dagen floot ik bij alles wat ik deed, mijn vader inspirerend tot het radeloos herhalen van de kreet: “Monni, tsjilp niet zo.”

Als je nu denkt, dat ik het braafste jongetje van de klas was, die bij de meester geen kwaad kon doen, vergis je je schromelijk. Dreunende klappen voor mijn eigenwijze koppie en striemende tikken met het latje op mijn vaak nog net op tijd wegglippende vingers zijn blijkbaar nodig geweest om mij in het uitgestippelde spoor te houden.

Toen ik acht jaar was, gingen we naar de eigenlijke school. De noodschool op het Pretoriaplein was een bijgebouw van deze school, die in de Overtonstraat stond. Normaal liepen we er een halfuur over, als we laat waren, deden we het in twintig minuten, maar in de looppas konden we het in tien minuten redden, maar dan waren we wel uitgevloerd als we op school kwamen. Toch is dat wel eens nodig geweest, bijvoorbeeld toen ik tot het laatst heb moeten zoeken naar mijn pet, die mijn vader had weggestopt, omdat ik die zomaar had neergegooid en niet had neergelegd of gehangen op de daarvoor bestemde plaats, waar die dan ook uit moet hebben bestaan.

Met tien, twaalf jongens gingen we naar school. We verzamelden op de hoek van onze straat, knokten gezamenlijk tegen de jongens van de roomse school en als we die niet te pakken konden krijgen, desnoods tegen elkaar, we poogden op het Soendaplein de conducteur van de stoomtram naar Alkmaar zodanig af te leiden, dat we kans zagen achterop te klimmen en doken handig onder de door de machinist van die tram naar ons geworpen stukken gloeiende steenkool door. Om wat terug te doen tegen deze door ons niet gewaardeerde wijze van tegengaan van gratis vervoer, wachtten wij hem om vier uur op bij het Soendaplein, het eindpunt van de stoomtram, waar hij zijn vuur moest leegscheppen. Op de stapel gloeiende kolen, die hij daar neergooide, leegden wij gemeenschappelijk onze urineblazen en dat stonk! Gossiemijne, wat stonk dat dan. Het resultaat was wel, dat hij de volgende keer probeerde ons nog beter te raken dan hij gewend was.

Tussen het Soendaplein en de Overtonstraat stonden geen huizen meer. Alleen het huis van dominee Blauw, op de hoek van de tuin van Bredius, uit te spreken: Bret, en het nieuwe raadhuis van Schoten stond er, achter de bomen en achter de rails van de stoomtram. Thans is dat gebouw een bureau van politie.

Die tuin van Bret, daar was moeilijk voorbij te komen in de late zomer en in de herfst. Er stonden appel- en perenbomen en struiken met klapbessen en aalbessen. Wachten tot dat spul allemaal rijp was, dat was natuurlijk te veel gevergd voor ons en we hadden in die tijd dan ook vaak buikpijn, waarvoor de schuld achteraf toch wel te wijten is geweest aan meneer Bredius zelf. Waarom zorgde die vent ook niet voor een hek, dat moeilijker toegang gaf dan dat wat er toen stond. Het was hoogstens twee meter hoog en dat was niet veel voor ons.

Eén keer heeft Kouwenhoven ons te pakken gehad, de klaploper. Herman en ik waren wat vroeger van huis gegaan om een voorraadje appels in te slaan voor de schoolvrienden, maar toen we, voorzien van de nodige mondvoorraad, het hek in zicht kregen, stond hij daar, zijn dikke buik boven de korte beentjes ver vooruitgestoken. Er was geen ontkomen aan. We smeten de appels op de grond en klommen over het hek, regelrecht in de grijpgrage armen van de Heilige (voor ons meer schijnheilige) Hermandad. Hij nam ons mee naar het raadhuis, waar we in de echte cel werden opgeborgen. Wel ontkenden we, dat we appels hadden gestolen, maar we hebben het, geloof ik, niet zo erg handig aangepakt. Toen Kouwenhoven zei, dat het wel waar was, omdat hij zelf de stukken had gevonden, ontkende ik dat volmondig: “Dat kan niet”, zei ik vol overtuiging en terecht. “Dat kan niet, want we hebben ze heel weggegooid.” En toen hingen we.

Mijn vader moest ons komen halen. Ter plaatse kregen we een stevig pak slaag en toen moesten we naar school, natuurlijk veel te laat. Suurmans, die ongetwijfeld was ingelicht, stuurde ons naar huis met de woorden: “Lui, die niet van andermans spullen af kunnen blijven, kan ik niet gebruiken” en op ons rapport kwam te staan: Ongeoorloofd verzuimd. We zijn er niet kapot van geweest en de appeltjes smaakten net zo lekker als vóór die tijd.

Om half negen gingen we van huis, om twaalf uur weer terug en om half twee weer naar school. Als we ’s middags om half vijf thuiskwamen, hadden we toch een dagmars van twee uur achter de rug en dat waren niet de slechtste uren van de dag. Soms wachtte ik Leen Buisink op. Leen was bakker bij de coöperatie en had zijn wijk in Oud-Schoten, dus over de brug van de Jan Gijzenvaart. Hij was voorzitter van de AJC in Haarlem en is later burgemeester geworden van Zaltbommel, in welke functie ik hem nog eens heb ontmoet.

Hij bewaarde speculaasjes voor mij zodat ik wat later thuiskwam, omdat ze nog niet op waren. Mijn moeder keek dan wat bezorgd: Wat heeft dat kind? Laat uit school, geen trek om te eten en hij is wat hangerig. (Toneelspelen had ik geërfd van mijn grootmoeder Branki en van mijn moeder Floor, die er ook wat van kon.) Toch ziet hij er gezond uit. Gelukkig was ik om vier uur weer zodanig genezen, dat ik graag een snee brood met suiker lustte.

Als ik geluk had, kwam buurman Bert Peters voorbij. Die werkte tegenwoordig bij de roggebroodfabriek van IJzerman, aan het Spaarne. Hij reed op een gemotoriseerde driewieler en bracht roggebrood naar bakkers, ver in de omtrek. Ik mocht dan naast hem staan en hij bracht me thuis in een veel te korte tijd.

In die tijd heb ik voor het eerst een schminkstift gehanteerd, overigens niet met veel succes. Ellefie Braakman en ik hadden een lippenstift gevonden, een attribuut, dat nog niet zoveel bekendheid had als tegenwoordig. Het werd alleen gebruikt door dames van twijfelachtig allooi; onze moeders hadden wel wat anders aan hun hoofd, dan zich op te doffen met verf. Ellefie dorst niet, maar ik wel. Ik smeerde royaal de smurrie op mijn snoet, er voor zorgend dat ook mijn wangen voldoende hun portie kregen en zo stapte ik de klas binnen. Piet de Zomer hadden we toen, maar hij had meer mij, dan ik hem. Briesend heeft hij me de klas uitgestuurd. “Naar buiten en er af met die rommel”, heeft hij tegen me gebulderd. Ik naar buiten met een van een meisje gekregen zakdoek, want die hadden we thuis niet, en ik maar poetsen. Gelukkig had het geregend en er was een plas voor school, waar ik die zakdoek in kon dopen.

Toen ik van school ging en mijn ouders bij Piet moesten komen, heeft hij hun het verhaal gedaan. Hij vertelde erbij, dat ze met alle onderwijzers achter het raam hebben gestaan gierend van het lachen om dat kleine jongetje, dat vruchteloos probeerde de tekenen van een zondig leven te verwijderen. Ik heb er nu nog spijt van, dat ik niet even naar die ramen heb gekeken. In de oorlog heb ik Piet de Zomer nog verschillende malen ontmoet, maar we hadden wel wat anders aan ons hoofd dan te praten over deze mislukte schminkpartij.

We liepen dus erg veel, in die tijd. In de vakanties gingen we niet met onze ouders uit. Och, arme, daar kon niet eens aan worden gedacht. De sigarenmakerij moest doorgaan en het werkhuis in Aerdenhout rekende er ook op, dat m’n moeder iedere ochtend voor de deur stond. Met de gele tram ging ze naar de Tempelierstraat, hopend, dat buurman West de wagen bestuurde. Dat scheelde haar een dubbeltje, want die liet haar zo doorgaan, onder voorwaarde dat ze het dubbeltje in haar hand hield, om eventuele controleurs voor te zijn. In de Tempeliersstraat stapte ze over op de lange tram, die van Amsterdam naar Zandvoort ging en in de namiddag kwam ze met dezelfde trams weer terug. Wij wachtten haar dan op bij de speelgoedwinkel van … Die naam weet ik niet meer, maar het was op de hoek van de Schoterweg en Schoterstraat. Menige tram hebben we moeten afwachten, want we waren wel op tijd, we hadden toch niets anders te doen. Al wachtend legden we spijkers op de rails, omdat de tram dan zo mooi bonkte. De spijkers werden alsmaar platter en zo werden het “mesjes”, hoe platter, hoe mooier. En halfjes, halve centen dus, die we kaapten uit de portemonnaie van mijn moeder. Als die er een poosje onder lagen, werden ze zo groot als een cent en de half blinde Terpoorten, die een snoepzaak in onze straat had, stonk daar wel eens in en kregen we een koningsbroodje van een cent voor dat voormalige halfje. Dit deden we pas, toen hij de truc met het zilverpapiertje door had. Hij krabde met zijn van de reumatiek gekromde vingertjes over het tot dubbeltje gepromoveerde halfje en als we zagen, dat het zilverpapier bezweek, dan namen we de benen.

Ik zei het al: we liepen erg veel en de nieuwe tijd wierp zijn schaduw al zo ver vooruit, dat Herman en ik naar een fiets gingen verlangen. Herman was elf en ik negen, toen we onze eerste technische pogingen ondernamen. Hoe we de onderdelen bij elkaar hebben gekregen, dat weet ik niet meer, maar we hadden ze en we hebben een fiets in elkaar geprutst. Op het zadel en het stuur stond de fiets in oprichting op het plaatsje en de fiets van mijn vader diende als voorbeeld, die stond op de wielen. En daar schuilde onze fout. De trappers moesten rechts zitten en het lange stuk van de trapas dus ook en zo deden we het ook. Maar toen de fiets op zijn wielen werd gezet en we wilden gaan fietsen, deed hij het alleen maar achteruit. Ik heb later nooit meer een trapas gemonteerd, zonder aan dit voorval te denken, er voor zorgend, dat mij dit geen tweede keer zou overkomen.

Soms gingen we in de vakantie naar het strand. Lopend natuurlijk. Twee uur deden we er over om op onze afgetrapte schoenen het Bloemendaalse strand te bereiken. Eerst langs de duinen in Overveen, langs de watertoren aan de pas aangelegde Zeeweg, en dan die hele lange Zeeweg af, tellend de bochten, die we al genomen hadden en uitrekenend hoeveel we er nog moesten krijgen. We hadden een fles water bij ons en een paar boterhammen en als er geld was, mochten we bij Jamin op de hoek van de Generaal Cronjéstraat en de Paul Krugerstraat een ons ananasballetjes kopen, maar die waren al op, vóórdat we de Zeeweg hadden bereikt. De fiets in oprichting verhoogde dus onze actieradius met vele kilometers. En we verheugden ons oprecht in de zonnige toekomst.

Toen hij klaar was naar onze smaak, zaten er geen spatborden op, maar de wet schreef die ook niet voor en als dat wel zo was: we hadden, evenmin als een technisch adviseur een juridisch adviseur van node om te weten wat de wet ons voorschreef. Onze wet was: we hebben ze niet en daarmee is de fiets rijvaardig. Omdat er ook geen rem op zat, was het ontbreken van de spatborden juist een voordeel, uit verkeersveiligheidsoogpunt bezien. Als we moesten remmen, zetten we gewoon onze voet op de voorband, steunend tegen de voorvork en hoe harder we drukten, hoe vlugger stonden we stil. Als we al te hard drukten, had het vehikel zelfs de neiging om over de kop te slaan. Maar verdere technische problemen hadden we niet. Neen, het grote probleem lag ergens anders.

De toenmalige regeerders hadden ontdekt, dat de fiets in opmars was. Steeds meer arbeiders kwamen in het bezit van het volksvoertuig. Vaders op kousenvoeten liepen hijgend achter dikke moekes aan, die moesten leren fietsen. Met veel moeite vingen ze hen op, als ze overstag gingen, maar na een paar weken konden ze zich toch voortbewegen op twee wielen, zij het, dat het richting aangeven wel moeilijkheden opleverde. Mijn tante Marie heeft zelfs nooit geleerd met één hand te fietsen. Zij gaf de richting dan ook maar aan met haar tong, hetgeen voor de medeweggebruikers wel eens iets te onduidelijk is geweest.

Maar goed, de regeerders zagen het aantal fietsen groeien en ze voerden het belastingplaatje in, een koperen plaatje, dat op de fiets aanwezig moest zijn, als je er op reed. Had je geen plaatje, dan werd je fiets in beslag genomen en pas na het betalen van een boete en het tonen van een plaatje, kon je hem terugkrijgen. Zo’n plaatje kostte f 2,50, later zelfs f 3,- en dat was een enorm bedrag voor een arbeider om maar niet te spreken van een paar schooiertjes, die zelf een fiets in elkaar hadden geprutst. Gelukkig waren we nogal vindingrijk en we vonden een oplossing. Vaak waren de plaatjes aan het stuur opgehangen in een lederen etuitje met een mica ruitje aan de voorzijde, waardoorheen je het plaatje kon zien. De politieagent zag dat etuitje en nam dus aan, dat er een plaatje op de fiets aanwezig was, voor wat ons betreft vanzelfsprekend ten onrechte. Het etuitje hing achterstevoren en was leeg. “Kleurtje” kende ons echter tamelijk goed en na een tijdje hield hij ons zekerheidshalve toch maar eens aan om een oplossing te vinden voor het onbegrijpelijke feit, dat wij in het bezit waren van een plaatje. “Verrek, het is leeg”, zei hij met een peinzende blik in zijn ogen. Toen keek hij naar het voertuig en schatte het op zijn waarde. Hij was verplicht om het in beslag te nemen, maar was zeker bang, dat hij op het politiebureau uitgelachen zou worden. Hij liet ons dus gaan, met de mededeling, dat hij ons in de gaten zou houden.

Er moest dus een andere oplossing worden gezocht en die hebben we gevonden ook, zij het niet helemaal eerlijk, maar ja, zo nauw namen we het toen niet.

De belastingplaatjes werden veel gestolen van de fietsen en daarom bevestigden de mensen ze vaak aan de kleding, dan kon je één plaatje ook voor meerdere fietsen gebruiken. Maar zodoende werden ze ook vaak verloren en natuurlijk door andere mensen gevonden, mensen, die vaak zo eerlijk waren, dat ze hun vondst meldden bij de politie die er voor zorgde, dat ze bij de Gevonden Voorwerpen in de krant kwamen. En dat was onze kans. Als we lazen, dat er ergens een plaatje was gevonden, gingen we er op af. Ik bleef om de hoek staan en Herman belde aan en dan ontspon zich de volgende dialoog:

“Mevrouw, hebt u een plaatje gevonden?”

“Ja hoor, hoe zag het er uit en waar heb je het verloren?”

“Nou, op het Spaarne en het zat in een etuitje.”

“Dan is het jouw plaatje niet. Kijk, dit zit met een veiligheidsspeld en is gevonden bij het station.”

Herman af, en hij meldde mij nauwkeurig alle bijzonderheden. Even later belde ik aan bij de mevrouw, die veel eerlijker was dan wij en geen idee had, dat er zoveel slechtheid in de wereld was. Dat de eerste jongen zo ontzettend veel leek op de tweede, dat was haar zeker ontgaan, want ik kon naar mijn broer gaan, triomfantelijk het verworven kleinood in de hoogte houdende. We konden er weer tegen tot 1 januari.

Ome Ko van der Werf was onze eerste kostganger. Er was iets geheimzinnigs aan de hand tussen hem en zuster De Kuster, die eigenlijk Greet heette, maar altijd Zus werd genoemd. Zus was ernstig ziek geweest en Tante Jans, haar moeder en vriendin van mijn ouders, wilde haar niet verplegen en Frits de Kuster, haar vader, die normaal al zo’n moeite had met spreken (hij stotterde als een mitrailleur) wilde niet tegen haar praten. Mijn moeder ging Zus verplegen. Nog hoor ik haar verhalen over de wonden in het dikke van haar vlees, waar dat ook moge hebben gezeten, waar ze haar vinger in kon leggen. De neiging daartoe kwam mij toen en ook nu nog, een weinig vreemd voor.

En om dit alles heen speelde Ome Ko een rol, al weet ik nu nog niet welke, al heb ik zo mijn vermoedens. Ko wilde in de buurt van Zus blijven, hij moest een kosthuis hebben in Schoten, want Amsterdam, waar hij woonde, was te ver van Zus vandaan en ik vermoed te dicht bij zijn vrouw. Maar het was een prachtkerel, die Ome Ko. Hij werkte als chauffeur bij Wasserij Kleverpark en in een vrachtauto bracht hij de was rond bij de betere klasse. De auto was toen een beetje in opkomst, zoals je merkt. Vaak zorgde hij er voor, dat hij om vier uur bij de school stond en dan hoefde ik niet direct naar huis om te strippen, maar dan mocht ik met hem mee. Dat had hij thuis voor me geregeld. Eens in de week ging hij met die auto naar Amsterdam om daar klanten te bedienen en ik mocht mee. Een leven als een vorst had ik in die dagen.

Het was niet moeilijk om zo’n auto te besturen, dat had ik gauw in het snotje. Het was een wagen, waar geen versnelling aan te pas kwam, zoals bij de eerste Fords. Het geheel werd bediend door drie pedalen. Eén vooruit, één voor de rem en één voor achteruit. Ik bestudeerde zijn handelingen zorgvuldig, als ik naast hem zat.

Op een middag moest hij achteraan op de Zijlweg zijn. Hij stapte uit om met iemand te praten, waar hij een vrachtje moest afleveren. De motor liet hij draaien. De man vertelde hem, dat hij beter de auto achteruit even naar binnen kon zetten en omdat ik niet doof was en mezelf een aankomende chauffeur vond, ging ik achter het stuur zitten en reed de wagen achteruit. Ome Ko schrok en sprong naast me en redde zodoende de toch wel benarde situatie. Onder het eten vertelde hij, trots op me en zonder kwade bijbedoeling, dat die “aap” wel even de auto achteruit naar binnen zou draaien. Dat leverde me een pak slaag op van mijn vader. Mijn maaltijd werd afgebroken en ik moest zonder eten naar bed.

’s Avonds moest Ome Ko naar Zandvoort. Mijn vader had z’n rijbewijs. Dat was niet moeilijk, want je hoefde daar geen examen voor af te leggen. Je ging dat gewoon halen op het raadhuis. Hij had zijn rijbewijs, dus hij mocht rijden en hij ging rijden. Joop en Herman mochten ook mee, maar ik niet. Ik moest in bed blijven. Jammer voor mijn vader, maar langs de Zandvoortselaan stonden bomen en sommige daarvan hadden laaghangende takken, die wel eens boven de weg uitstaken. Een heel dikke tak werd het slachtoffer van de rijkunst van Bram. Hij pakte hem voluit, maar de tak bleek steviger dan de auto en die werd dan ook dermate beschadigd, dat ze met z’n vieren vanaf de Zandvoortselaan naar de Generaal de la Reystraat moesten lopen. In de nacht kwamen ze thuis. Door het kabaal werd ik wakker en hoorde, in de alkoof in bed, dat mijn vader in volle vaart tegen een boom was gekleund. Dat was voor mij het uur der wrake. Ik lachte, luid en nadrukkelijk. Zo luid, dat mijn vader het hoorde, zoals ik ook bedoelde. Wat ik niet precies had bedoeld, was het tweede pak slaag die avond, maar dan in sterk verzwaarde uitvoering.

De komst van Ome Ko luidde het kostgangerstijdperk bij ons in. Velen heb ik na die tijd zien komen en gaan. Uit de ene volgde automatisch de andere.

Toen Ome Ko kwam, bracht hij allerhande spullen mee. Een vloerkleed, twee fauteuils, een bloementafeltje en weet ik veel, wat nog meer. Mijn vader en hij timmerden van kistenhout een wand in de winkel, die daardoor werd gepromoveerd tot echte huiskamer. Met de spullen van Ome Ko was de zaak compleet. Maar toen op een goede dag de vrouw van Ome Ko harder trok dan Zus de Kuster, rolde Ome Ko zijn vloerkleed weer op, hij pakte zijn bloementafeltje en zijn fauteuils en ontluisterd bleef de voorkamer achter. En wij waren, door de inkomsten uit zijn kostgeld, gewend geraakt aan minder kip en meer koegel met peren, een levensstandaard, die mijn moeder wel graag gehandhaafd zag.

Mijn broer Joop was gaan werken bij Emrik en Binger, een offsetdrukkerij in de Koningstraat. Hij was daar leerlingdrukker en bracht dus al wat geld in het laatje. Toen bij deze drukkerij een drukker werd aangenomen, die uit Groningen kwam, één van de drie broers Dijkema, en deze man een kosthuis zocht, lag het voor de hand, dat hij bij ons kwam inwonen. In die tijd was ik op de Mulo in de Jacobstraat, maar daarover vertel ik nog wel wat, later.

De voornaam weet ik niet meer, ik zal hem Jos noemen, maar hij heette anders. Jos kwam, maar hij kwam niet alleen. Hij kwam uit een zeer muzikale familie en speelde piano en hij had er ook een, die natuurlijk meekwam. In de achterkamer kreeg het instrument een plaatsje en op zondag kwamen zijn twee andere broers wel eens over en ze musiceerden bij ons. Zijn broer Ep speelde viool en is dat steeds blijven doen. In Den Haag hadden wij nog vaak contact met hem en verleden jaar is hij gestorven.

Dat muziek maken bij ons thuis was een feest. Zij speelden en wij zongen, vooral mijn moeder, die een mooie sopraan had. Zij kon er niet genoeg van krijgen en ze keek uit naar de bezoeken van de beide broers van Jos.

Maar met dat al, die bezoeken, die piano, die groter wordende kinderen en ook door de iets groter wordende financiële speling, werd het huis toch wel wat krap en er werd een besluit genomen met zeer verstrekkende gevolgen, al was dat toen nog niet te voorzien. We gingen verhuizen, weg uit de Generaal de Lulderijstraat. En, niet mis, we gingen wonen aan de Rijksstraatweg, op nummer 138. Het was een huis “op stand”, zoals dat toen heette. Huize Nora, stond er boven de voordeur, maar op verzoek van mijn moeder werd het omgedoopt in “Flora”, haar eigen naam. Toen ik er een paar weken geleden langs kwam, zag ik dat haar naam nog boven de deur prijkt.

Het was een duur huurhuis, eigenlijk te duur voor ons, maar Joop werkte, Branca werkte bij de chocoladefabriek Droste, Herman werkte bij machinefabriek Gonnerman, Jos was in huis bij ons, dus het kon wel, beslisten mijn ouders. En zo werden onze bezittingen op een handwagen geladen en in verscheidene ritten overgebracht naar de Rijksstraatweg. Op de fiets van mijn vader bracht Joop de ganzen over. In een gonjezak lagen ze op het sigarenplankje, vóór op de fiets. Maar in die zak zat een gaatje en één van de ganzen was iets te nieuwsgierig naar de gebeurtenissen om zich heen en stak zijn kop door dat gat. Joop werd zenuwachtig en probeerde de kop terug te drukken, maar slaagde daar niet helemaal in. De zak viel van het plankje en de gans kwam met zijn kop tussen de spaken. De eerste zondag op de Rijksstraatweg aten we gans.

Erg modern was het huis toch niet, zelfs niet voor die tijd. Er was geen waterleiding. In de keuken was een pomp, waaraan een klein defect was. Vóórdat hij ’s morgens dienst kon doen, moest er eerst een pan water van boven in worden gegoten, pas dan kon hij het water opzuigen, dat we nodig hadden voor de thee en voor ons ochtendtoilet en voor het doorspoelen van de plee, want een wc was er natuurlijk ook niet. Normaal gesproken was dat ook niet zo’n probleem, maar als ’s avonds vergeten was om een pan water klaar te zetten, dan zaten we wel in de problemen. Dan moesten we ’s morgens eerst bij de buren een pan water gaan halen om de pomp op gang te brengen. Een geestelijke druk heeft dat nooit op ons gelegd, wij hadden er waarschijnlijk veel meer lol in dan de buren, maar die hebben toch nooit bezwaar gemaakt.

Het grote probleem met de pomp ontstond echter op 8 februari 1929, de verjaardag van mijn vader. Toen begon een winterperiode, die de koudste is, die ik me herinner. Geen druppel water kwam er uit die pomp. Hoe we dat opgelost hebben, echt ik weet het niet meer.

Op een bepaalde dag had Jos het wel gezien in huize Cohen Rodrigues. Bij Leen van Noorden in de Generaal Joubertstraat kon hij goedkoper terecht en op een regenachtige avond hebben hij en Leen de piano op een handwagen gelegd, met de achterkant naar boven en een paar gonjezakken er overheen tegen de regen en ze zijn vertrokken in zuidelijke richting, een muzikale en financiële leegte achterlatend in Huize Flora.

Het is toen weer een poosje knijpen geweest. Ik was op de Mulo en dat kostte veel geld, te veel, en ook ik moest gaan werken. Daarover zal ik ook apart vertellen.

De oplossing was even eenvoudig als verbluffend. Een mens moet vindingrijk zijn en een beetje moed kunnen opbrengen en zo is het gekomen.

Het was weer goed met tante Marie en ons. Het was heel vaak weer goed en precies evenveel keren dus waren we kwaad op elkaar. Waarom we kwaad waren, dat wisten wij, kinderen, niet, maar we waren verbonden door een hechte familieband, dus als mijn moeder kwaad was op tante Marie, dan keken wij haar vanzelfsprekend ook niet aan. En als het dan weer goed was, nou, dan bestond ze weer, ook voor ons. We vierden dan weer met elkaar de verjaardag van mijn moeder en tante Marie, die beiden op 23 januari jarig waren. Mijn moeder was precies zes jaar jonger dan haar zuster.

Toen Jos uit ons gezichtsveld was verdwenen, waren we in een “kwade” periode, maar een paar weken later, toen we na het eten aan de avondthee zaten, hoorden we de poort gaan en de uit duizenden te herkennen tred van tante Marie werd hoorbaar in de keuken. Zij deed haar jas uit in de gang, kwam de kamer binnen, ging zitten, kreeg thee en iedereen was de ruzie vergeten, die er toch wel geweest moet zijn. Niemand vroeg wat ze kwam doen, niemand repte over wat geweest was, want het was immers weer goed. In die geest werd immer de ruzie tussen mijn moeder en tante Marie opgelost en de ganse familie hield zich aan de ongeschreven code: “Hou je gedeisd en denk om de jeletjes” oftewel: “Kop dicht voor de kinderen.”

Natuurlijk kwam de uittocht van Jos ter sprake en even natuurlijk werd ogenblikkelijk de oplossing gevonden. Staande de familieraad, waarin de kinderen geen stem hadden, werd besloten, dat tante Marie bij ons in zou komen wonen, waarbij geen van de partijen dacht aan de bestendigheid van de vriendschap, die met de regelmaat van een knipperlicht aan en uit was gefloept tussen de twee zusters gedurende al de jaren, dat ze reeds het leven hadden.

Maar, werd geconstateerd, dan is dit huis te klein. Op nummer 94, ook aan de Rijksstraatweg, staat een prachtig huis leeg. Er is waterleiding en elektrisch licht, er is een poort, een grote achterkamer met een serre, een grote voorkamer met kasten, een echte hall, een grote voortuin een heel grote achtertuin met een poort en een schuur. Boven zijn twee grote kamers en twee kleine en daarboven is een heel grote zolder met twee slaapkamers, die dienstbodenkamers zijn geweest.

Als tante Marie nu boven de achterkamer zou nemen en een klein kamertje als keuken en zij betaalde de helft van de (voor ons doen veel te hoge) huur, dan was het best te doen. En ze kon het betalen, want ze had een pensioen van Jan Hansen, waar ze op late leeftijd mee getrouwd was. Jan had bij de Gemeentereiniging van Haarlem gewerkt, waar hij “onder de ton” had gelopen, de “Boldoot”, waar ik al eerder over heb verteld.

En ze deden het! Een week later liepen we van 138 naar 94 en van 94 naar 138. We sjouwden het hele spul over in een paar avonden en daar zaten we dan, in een herenhuis, met naast ons buren, die ons met verbijstering moeten hebben zien komen, vooral de onderwijzeressen, die op 92 woonden. En het ging prima. We gingen op visite bij tante Marie en zij kwam bij ons ’s avonds; we aten soms bij elkaar, de zusters gingen met elkaar de stad in om het pensioen te halen van tante Marie en maakten er dan een feest van. Ze dronken koffie bij de Hema en dat deden arbeiders niet, maar voor “mensen van onze stand” was dat iets vanzelfsprekends. Nee, echt waar, het ging prima! Tenminste: enige maanden. En toen was het over; het knipperlicht floepte op: “uit.”

Tante Marie verdween weer voor een tijdje uit ons gezichtsveld. Ik weet niet meer waar ze is gaan wonen en ook niet wie haar spullen heeft weggehaald. Wel weet ik, dat mijn ouders toen helemaal goed in de puree kwamen te zitten.

En toen is de grote trek begonnen. Toen kwamen ze en gingen ze, allemaal tegelijk, of achter en door elkaar. Er was geen touw meer aan vast te knopen wie er nu eigenlijk wel bij ons woonde en wie nog niet of niet meer.

Eerst werden de kamers boven verhuurd aan Louis Consent en zijn vrouw Annie. Die hadden een kindje gekregen op een voor hen onbegrijpelijke manier. Op de avond van hun trouwen was het feest bij ons thuis. Nou ja, als er niets te vieren was, maakten we toch feest en als er geen reden toe was, dan was er altijd wel een meningsverschil uit de wereld geholpen en dat moest ook worden gevierd.

Op de avond van hun trouwen dus, werd Annie, hun dochtertje den volke getoond. Ze was ongeveer een jaar en ze werd gehuldigd als een prinses, omdat zij de aanleiding was geweest tot het feest van vanavond.

Vanaf de tijd, dat Louis en Annie bij ons introkken, leek het wel, of de kippen van de leg waren. Tot meer dan de helft minder eieren legden ze. Maar Marie (ja, ze heette toch Marie) had gebrek aan slaap. Het viel ook niet mee om iedere morgen zo vroeg op te staan, dat ze ongemerkt de vruchten van moeizame arbeid uit het kippenhok kan halen. In de ketel voor het theewater kookte ze die eieren mee, maar ze heeft toch haar vingers gebrand, en niet bij het uit het water halen van die eieren.

We hadden, evenals trouwens de meesten, een gasmeter, die uitging van het principe: Geen geld, geen liefde. Voor het afnemen van een kubieke meter gas moest je een muntje in die meter stoppen. Dat muntje had de vorm en de afmeting van een halve stuiver, dus een waarde van twee en een halve cent. Er zat een gleufje in, dat paste om een pennetje in de meter. Hierdoor moest worden voorkomen, dat je een halve stuiver in de meter stopte, in plaats van zo’n muntje. Als er namelijk halve stuivers in de meter zaten, moest per afgenomen kubieke meter een dubbeltje worden bijbetaald en de man van de gemeente, die de meter kwam opnemen en legen, wist uit ervaring, dat daaruit moeilijkheden ontstonden, want de mensen hadden geen geld om het verschil bij te passen. Daarom waren er ook zo veel muntmeters. Bij mensen, die een doorlopende meter hadden, werd nauwkeurig in de gaten gehouden of ze op tijd betaalden. Was dat niet het geval en was het gas wegens wanbetaling een keer afgesloten geweest, dan werd deze meter prompt vervangen door een muntmeter, dus: Geen muntje, geen gas.

Natuurlijk hadden wij een oplossing. In een paar halve stuivers had, waarschijnlijk Herman, die nogal vindingrijk was op dergelijke gebieden, een gleufje gevijld, zodat we in tijden van geldnood, toch konden koken. Als de gasman kwam, stond mijn moeder er bij om de halve stuivers in te nemen en aan te zuiveren. Maar dat mochten er niet te veel zijn, anders zat ze in het schip.

Maar Louis, Marie en Annie kookten hun eten en onze eieren op gas, dat via onze meter liep en ieder ogenblik klonk van bovenaf de kreet: “Tante Floor! Gas gaat uit!” Dan zuchtte mijn moeder, greep naar een muntje en in tijden van nood naar een bewerkte halve stuiver en dan floepte de brander weer hoog op.

Nee, van al die inwoners zijn we niet veel wijzer geworden, maar ik kom daar nog wel op terug.