In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 5: MEESTAL OP MAANDAG
In een vorige brief heb ik geschreven over de moeder van oma, die in het gezin met elf kinderen op zaterdagavond moest helpen met het schoonmaken van de kleren, met de was dus. Dat moest op zaterdagavond gebeuren, als de kinderen op bed lagen, want ze hadden maar één stel kleren en die moesten ze op zondag weer aan en verder de hele week.
Daar moet ik vandaag weer aan denken. Het is zondagmorgen 5 februari 1978, het is elf uur en oma “is aan de was”. Tegelijkertijd is ze bezig een kleine overall te maken voor Eva, onze jongste kleindochter, die in Amsterdam woont, Tweede Van der Helststraat 83, vier, zoals ze al zo keurig kan zeggen.
Dat wassen van oma, ik bedoel natuurlijk het schoonmaken van het wasgoed en niet van haar zelf, geeft geen problemen, de wasautomaat doet het werk. En normaal hoeft het ook niet op zondag te gebeuren, maar omdat we de afgelopen week nogal wat visite hebben gehad en morgen naar Haarlem gaan, naar Siena en Jan Roede, moet het vandaag dan maar gebeuren, tijdens het koffiedrinken en andere bezigheden door. We hebben ook wel voldoende ondergoed om ons eens extra te verschonen, maar eind volgende week gaan we naar de wintersport, dus dan is er ook niet veel tijd over voor de was, vandaar dus vandaag, op zondag.
En vanzelfsprekend hadden we het zo pas over de manier, waarop oma vroeger de was deed en hoe haar moeder het deed en haar grootmoeder. Dat ging wel even anders.
Bij de moeder van je overgrootmoeder, dus bij Maria Mijnsbergen in Souburg, kreeg de was niet de zorg, die later er aan kon worden besteed door Jane Broekman en Oma Wil. Daar was geen tijd voor, omdat alles op één avond moest gebeuren en dat was niet niks. Jane Broekman deed het later anders en haar dochter, dus mijn vrouw en jullie oma volgde haar na in het heilige ritueel van de was.
Het thema was in die tijd: drie stel ondergoed, één aan je bast, één in de kast, één in de was. Je voelt, dat de levensomstandigheden al wat beter waren. Op zaterdag ging de witte was, het zogenaamde lijfgoed, in een teil in de soda. Het bleef daar in staan tot zondagmiddag en dan, zo tegen de avond, ging het op het gas in een wasketel, een ronde verzinkt ijzeren ketel met onderin een rooster. In dat rooster was een pijp gelast, die tot bijna bovenaan de ketel reikte en bovenop die pijp zat een sproeier. Als de was kookte, kolkte het water van onderaf door die pijp naar boven en het water, vermengd met de zeep, sproeide als heet sop over het wasgoed heen. Met een etensstamper werd het goed steeds ondergeduwd en als het potje lang genoeg op het vuur had gestaan, dan werd er mankracht aangerukt om de hete ketel op de grond te zetten. Met het bonte goed (hoe vind je mijn vaktermen?) werd de ketel afgedekt en op maandagmorgen, hoe vroeger hoe liever, werd de wringerbok uitgezet, vóór en achter op deze bok kwam een teil te staan en met vereende krachten werd de nog gloeiendhete was in de teil gestort. En dan kon eigenlijk pas aan de was worden begonnen.
De ene huisvrouw gebruikte het wasbord, de andere zwoer nog bij de plank. Het wasbord moeten jullie kennen. Het heeft inmiddels promotie gemaakt en heeft thans de functie van muziekinstrument. Bij hedendaagse muziekgezelschappen zie je het wel eens gebruiken. Een gegolfd verzinktijzeren plaat, waarover de muzikant met zijn, met een soort vingerhoeden beklede vingers ritmische bewegingen maakt, die de muziek een indringende ondertoon bezorgen. De huisvrouwen, die het wasbord vóór zich hadden staan in de dampende teil sop en die met een heiboender met groene zeep poogden weer “grond” in het wasgoed te krijgen, hadden toen bepaald niet de indruk, dat ze onderdeel van een orkest uitmaakten en het geluid van de boender over het wasgoed was beslist geen muziek in hun door inspanning rood aangelopen oortjes.
Na het boenen werd de was nog een paar keer gespoeld, dat betekende wringen, spoelen, wringen en weer spoelen en wringen. In het laatste spoelwater ging een zakje blauw. Maar dat mocht er niet te lang in liggen, want dan werd het wasgoed weer te blauw en er mocht alleen maar een gloed over liggen, die de suggestie wekte, dat het echt witter dan wit was. En dan ging de was aan de lijn, als het effe kon, vóórdat de buurvrouw zover was, want dan had je bewezen, dat je vroeg op was geweest om je huishoudelijke maandagmorgenplichten te vervullen.
Mijn moeder gebruikte de plank. Een wasbord was te gevaarlijk voor mensen, die geen geld genoeg hadden om zo’n ding te vervangen, vóórdat het versleten was. Als het bord zó dun was geworden, dat het dreigde te scheuren op de hoge kant van de golven, dan moest je het afdanken, want als moeder met haar door het sop weke vingers bleef haken aan de vlijmscherpe uitsteeksels van zo’n breuk, dan betekende dat meestal wel, dat er een topje van een vinger tussen het wasgoed verdween. En dan al dat bloed op het wasgoed. Nee hoor, mijn moeder nam de plank wel. Die stond dan in de teil of lag er dwars overheen en ze boende, dat het zweet van haar voorhoofd droop. En wringen deed ze met de hand, want een wringer konden we niet betalen.
Toen oma en ik trouwden, hadden we ook geen geld voor een wringer en een wringerbok en oma wrong het wasgoed voor ons beiden met de hand. Maar toen onze zoon Hans was geboren, konden we het opbrengen om voor de verjaardag van oma over te gaan tot de aanschaf van deze dure attributen. De kwitanties heb ik bewaard en ik plak ze op de volgende bladzijde van deze brief. Tot ongeveer 1960 heeft de bok dienst gedaan. De wringer is vervangen door een afdankertje van Oma Broekman en het was, als ik me goed herinner, in die tijd, dat we een echte electrische wasmachine konden kopen, geen automaat hoor.
Hier en daar verschenen omstreeks 1922 de eerste wasmachines, houten kuipen met een houten deksel. IJzeren banden hielden de duigen bijeen en het geheel stond op een houten stellage, sterk en stevig. Op het deksel zat het wasmechanisme, een as door het deksel heen stond in verbinding met een stamper, waardoor het wasgoed heen en weer werd bewogen. Aan die as zat een tandwiel, daaromheen een ketting, die via een ander tandwiel verbinding gaf met een lange steel. Het geheel ging met het deksel mee omhoog, als dat werd opgeklapt.
Wassen werd nu zeer eenvoudig hoor, want als de was op de geëigende manier was gekookt en afgedekt en in de wasmachine gegooid, dan hoefde je alleen nog maar te slingeren: twintig minuten lang moest je dan die zware steel heen en weer trekken, zodat de stamper het wasgoed heen en weer door de kuip werd geslingerd. Goed, je kon daar wel een zweetje op laten en je voelde wel je armen, als het klaar was en het spoelen en wringen bleef nog wel bestaan, maar het boenen met het wasbord of de plank, dat hoefde niet meer, tenminste, als je geld genoeg had om zo’n duur apparaat aan te schaffen en dat waren er niet zo veel.
En deze gedachten gingen vanmorgen door me heen, toen ik de wasautomaat hoorde draaien en tegen oma zei onder het koffiedrinken: “Hé, ben je aan de was?” En toen ze lachend antwoordde, nippend aan haar kopje: “Dat zie je toch!”. En voor de duizendste keer keken wij elkaar aan en spraken niet uit wat we beiden dachten: “Wat zijn we toch schatrijk en wat zijn we gelukkig!”.
Ik vertelde, dat de was werd gekookt. Dat gebeurde bij Maria Mijnsbergen op het fornuis. Waarmee dat werd gestookt, dat weet ik niet, waarschijnlijk met hout, dat was wel voorhanden. Bij Oma Broekman stond de ketel op het gasfornuis in de Spaarnoogstraat en aan het Spaarne op het electrisch fornuis. Ze waren modern, de Broekmannen en behoorden tot de eersten, die het gas hadden vervangen door algehele electrificatie, ondanks de slagzin van de gasfabriek: Kook op gas, dan smaakt het pas.
In het begin van ons trouwen was het gas voor ons ook te duur en als ervaren kampeerders hadden we de oplossing kant en klaar voor ons. Ik had een stellage van ijzeren hoeklijn gemaakt en daaronder stookten we met twee primussen de was op het kookpunt. Dat gebeurde aan het Spaarne op de wc, die tegelijk washok was. Op zondagavond stond het in dat hokje blauw van het petroleumgas, want die primussen waren een beetje lek en dat lek heb ik nooit kunnen vinden. De gasfabriek kon ons wat dat betreft nog meer vertellen. Wij kookten op petroleum, omdat we van tevoren al de overtuiging hadden, dat een was, op gas gekookt, ook niet te vreten zou zijn.
Die gasfabriek, ja, ja. Ik denk, dat jullie niet eens weten hoe een gasfabriek er uit ziet. Ik zal proberen er wat van te vertellen.
In Schoten stond aan het Spaarne de gemeentelijke gasfabriek en een paar honderd meter verder, ook aan het Spaarne, stond er nog één, namelijk die van Haarlem. Je kunt je haast niet voorstellen, dat het nu pas ongeveer twintig jaar geleden is, dat in de bodem van ons land de gasbel werd gevonden en aangeboord. Dat was, denk ik, omstreeks 1958 of 1960 het geval. Maar vóór die tijd moest het gas worden gemaakt. Ze haalden het uit de steenkolen en daarom lagen de fabrieken dan ook meestal aan vaarwater, bij ons dus het Spaarne. In grote schepen werd de steenkool aangevoerd. Ik weet niet precies waar ze vandaan kwamen, uit Limburg of uit het Ruhrgebied, of uit Noord-Frankrijk, denk ik. De Engelse steenkool, de zogenaamde Wales-anthraciet zal het niet geweest zijn, want die was erg duur.
Met een grote grijper werden de kolen uit het schip gehaald en door verhitting kwam dan het gas vrij. Op de één of andere manier werden de verhitte kolen afgekoeld, ik denk met water, want er kwamen af en toe heel hoge spierwitte golven stoom boven de fabriek uit. De volwassenen zeiden dan: “De fabriek is aan het blussen!” en wij zeiden het na, al begrepen we er niets van. Elke wolk stoom, waar hij dan ook vandaan mocht komen, ontlokte ons de kreet: De fabriek is aan het blussen.
Het gas werd opgeslagen in gashouders, ontzettend lelijke, enorm grote, ronde, zwarte beschuitbussen. Overal in het land ontsierden ze de omgeving en ze zijn nog niet overal opgeruimd. Die bussen waren eigenlijk twee bussen in elkaar. De buitenste stond vast, maar de binnenste kon op en neer bewegen. ’s Morgens vroeg stak hij ver boven de buitenste bus uit, dan was de gashouder vol. Maar als de huisvrouwen weer aan het kokkerellen sloegen en in de scholen gingen de gaskachels aan, dan zakte de bus en de wijzers op de enorme wijzerplaten veranderden van stand. Ik kon die wijzerplaten niet thuisbrengen. Wist ik veel van manometers, die aangaven hoeveel druk er op de houder stond? Ik wilde er op zien hoe laat het was en dat lukte niet op een klok met één wijzer en een wijzerplaat die niet de twaalf uren aangaf.
En in de winter, als de gaslantaarns de straat nogal zuinig verlichtten, dan had de gasfabriek ’s nachts ook handen vol werk om de beschuitbussen vol te houden. Heel Schoten en ook heel Haarlem werd verlicht met gaslantaarns en wel tot onze vreugde en vermaak. Als in de avondschemering de tijd was gekomen, dat de lantaarns aan moesten, dan stonden we bij elkaar, alle jongens uit de straat en we sloten weddenschappen af. Nee, niet om geld of andere bezittingen, want die hadden we niet. Nee, zo maar voor de aardigheid. We wedden wie zou raden hoeveel tellen het zou duren, vóórdat de lantaarn in het midden van de straat (bij ons voor de deur op nummer 21) aan zou gaan, nadat die op de hoek was aangefloept. Ergens in het dorp zat iemand, die de kraan openzette, waardoor het gas naar de openbare verlichting stroomde en waarschijnlijk door de druk van het toestromende gas werd een toevoerkraan boven in de lantaarn geopend. Omdat het gas door het verschil in druk op de leiding niet altijd even snel stroomde, hadden wij dus een spelletje uitgevonden: het hardop aftellen van de tussentijd.
Soms bleef het aanfloepen van een lantaarn helemaal uit en dan was er werk aan de winkel voor het kleine mannetje met zijn korte beentjes op zijn fiets met de pikhaak en zijn laddertje. Eerst probeerde hij of hij met zijn haak de twee glazen halve cirkels boven in de lantaarnkap over elkaar te leggen, zodat hij vanaf de straat het gaskraantje naar beneden kon trekken, zodat de lantaarn alsnog ging branden. Lukte hem dat niet en dat kwam nogal eens voor, omdat wij er stijfsel aan smeerden, dan kwam zijn laddertje van de fiets. Het steunde achteraan op een lange, sterke haak, die aan de as bevestigd was, en vóór hing hij aan het stuur. Zijn ene been moest hij dus, al fietsende, over zijn ladder op en neer bewegen, omdat die langs zijn frame hing.
De gietijzeren lantaarnpalen met de grote glazen kap (je ziet ze tegenwoordig nog wel eens als sieraad bij grote huizen of boerderijen staan) hadden twee uitstekende armen, waarvan wij altijd dachten, dat die er voor ons aan waren gemaakt. Maar de lantaarnopsteker mocht ze, voor wat ons betrof, ook gebruiken om zijn laddertje tegenaan te zetten en we verbaasden ons over het wonder, dat het allemaal zo mooi paste. Als hij merkte, dat de halve cirkels, waarmee de kap van onder opengemaakt kon worden, waren vastgeplakt, dan vloekte hij. En niet zachtjes en hij keek met moordlust in zijn ogen naar de kring zwijgende, onschuldig kijkende knapen om hem heen. Had hij geluk, dan brak hij het ruitje niet, maar anders moest hij terugkomen om een nieuw in te zetten.
En dan werd het gezellig in de straat. De jongens gingen op de stoep van de roomse school zitten en vertelden elkaar waargebeurde of gefantaseerde verhalen. De meisjes deden spelletjes, al naar de tijd, die er voor was: kringspelen, touwtje springen, beeldenverkoop, knikkeren, pandverbeuren. Bij Schipper mag ik overvaren deden we allemaal mee, dat was een gemengd spel, maar bokspringen en diefje met verlos, daar konden we die meiden niet bij gebruiken. En dat alles bij de verlichting van drie gaslantaarns in de hele straat.
Ten minste, zolang we nog niet naar binnen gingen, want tegen die tijd klom altijd wel één van de jongens in de ijzeren paal om middels het hefboompje van het kraantje alle lantaarns weer te doven. En als wij dan op bed lagen, dan had het kleine mannetje met de fiets weer een klus.
Meestal op maandag, heb ik boven deze brief gezet, omdat het wassen meestal op deze dag gebeurde. Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag maakten daarop een uitzondering. Op maandag kwam ook Ome David, een klein Jodenmannetje, die met zijn broers een afbetalingsmagazijn had aan het Spaarne bij de Melkbrug. Bijna huis aan huis belde hij aan en overal moest hij zijn om geld te halen voor de Gebroeders Van Volen. Het bedrag, dat hij moest innen, was evenredig aan de hoeveelheid materiaal, die de mensen, meestal in een overmoedige bui bij het magazijn hadden gekocht. Hij had een stempeltje, Ome David, en daarmee stempelde hij zijn handtekening op de kaart, die de huisvrouwen hem voorhielden. Maar als er niet betaald werd, gebruikte hij een ander stempeltje, waarvan ik de betekenis pas later ben gaan begrijpen.
Soms stonden er jongens op de hoek van de straat op hem te wachten, maar ze gingen hem niet tegemoet, integendeel. Als ze hem zagen aankomen, holden ze naar huis en even later zag je dan hun moeder weggaan. Pas als Ome David heel lang was verdwenen, kwamen ze weer terug van “een boodschap doen”. Schuw en vol schaamte schoven ze dan hun huisdeur weer binnen en lieten zich de hele dag niet meer zien.
Ieder, die me vertelt, dat de ervaringen van een kind van zes jaar niet zo veel invloed zullen hebben op zijn latere handel en wandel, zou ik er op willen wijzen, dat in die tijd bij mij het besluit is genomen, dat er bij mij later nooit of te nimmer een “Ome David” aan de deur zou mogen komen, in welke vorm en onder welke naam dan ook. En op één uitzondering na, heb ik me daaraan ook gehouden: Oma Wil, die weliswaar niet dezelfde jeugdervaringen heeft als ik, heeft gelukkig dezelfde opvattingen op dit punt en we prijzen ons gelukkig, dat we steeds de opvatting hebben gehuldigd: Als we één spijker in huis hebben, dan moet hij betaald zijn, we willen bij niemand ook maar één cent schuld hebben. Ons hele huwelijk door heeft dat een onbetaalbare rust over ons gebracht.
De huisvrouwen in de volksbuurten omstreeks 1920 waren met handen en voeten gebonden aan de afbetalingsmagazijnen. Bij ons was het begonnen met een vloerkleed. Toen mijn ouders van Amsterdam naar Haarlem verhuisden, waren ze niet in het bezit van een dergelijke vloerbedekking. In Amsterdam leefde je gewoon op de planken, maar in de Generaal de la Reystraat hadden de buren wel vloerkleden en je behoorde tot de allerarmsten, als je je die weelde niet kon veroorloven. De weg naar het Spaarne, naar de Gebroeders Van Volen werd hun echter snel gewezen door de andere huisvrouwen uit de straat en ze gingen, natuurlijk gingen ze. Je bleef toch niet met je armoede te koop lopen als er iemand bij je over de vloer kwam?
En de eerstvolgende maandag kwam Ome David voor het eerst aan de deur. Maar zeker niet voor het laatste. De kwaliteit van de door dergelijke magazijnen verkochte spullen was laag, in tegenstelling tot de prijzen, die er voor werden gevraagd. Tegen de tijd, dat het vloerkleed was afbetaald, was het al bijna versleten en waren de mensen al weer toe aan een nieuwe aanschaf. Och ja, het ging ook zo erg gemakkelijk, dat kopen. Van alles hadden ze, meubilair, gordijnen, kleding, dus de allernoodzakelijkste dingen. Maar ook dingen, die niet direct voorzagen in de allereerste levensbehoeften, lagen zo maar voor het meenemen en de verleiding was zeer groot voor de mensen, die nooit verder waren gekomen dan de wens: Geef ons heden ons dagelijks brood.
En ze kochten maar raak; ze voelden zich de koning te rijk, als de volgende dag de handkar voor kwam rijden met alle spullen, die ze hadden gekocht. Tante Marie kocht een pathefoon, de voorloper van de tegenwoordige pick-up. Met een slinger werd hij opgewonden en je kon er een 78-toerenplaat op leggen. Met een vers naaldje in de weergever kon je Caruso horen zingen en Louis Davids. De hele buurt kwam luisteren naar dit wonderapparaat. En toen Joop jarig was kocht mijn moeder bij Van Volen een mandoline voor hem. (Dat ding heeft ze later op mijn hoofd kapot geslagen).
Later kwam pas de kater, als Ome David kwam en er geen cent in huis was, om aan de afbetalingsverplichting te voldoen. Dan kwam hij manen, volgens het woordenboek betekent dat woord: drang uitoefenen tot betalen. En dat manen was een zeer onplezierige bijkomstigheid van iedere “maandag”, vandaar, dat deze dag een nare klank kreeg in de volksbuurt, waar ik woonde.