In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 4: ER IS EEN KINDEKE GEBOREN
Hijgend kwam ze de trap op, tante Marie. Was het in de Korte Amstelstraat of in de Dapperstraat of in de Zandstraat? Dat weet ik echt niet, maar het was in Amsterdam op de negentiende april negentienhonderdnegen.
Ze was kort en dik, tante Marie en woonde in de buurt bij mijn ouders. (Wanneer heeft ze eigenlijk niet bij hen in de buurt gewoond?). Ze schommelde altijd een beetje en ze was zeer bedrijvig, zowel met haar handen als met haar tong. En dat konden haar longen niet altijd precies bijhouden. Zo ook op die gedenkwaardige dag.
“Floor, Floor”, hijgde ze, “Floor, de koningin is bevallen. De vlaggen hangen uit.”
Haar opgewondenheid was wel te verklaren. Er was namelijk iets bijzonders aan de hand. Mijn moeder lag in het kraambed van Jozua, mijn oudste broer, die die dag was geboren en de burgemeester van Amsterdam had verklaard, dat de kinderen, die op dezelfde dag geboren zouden worden als het kind van Koningin Wilhelmina, een spaarbankboekje zouden krijgen. De vlaggen hingen uit, de klokken beierden, dus trok tante Marie haar conclusie op de manier die eigen was aan onze gehele familie: snel, zonder omwegen een conclusie trekken en direct handelend optreden op grond van deze conclusie, zich niet af laten leiden door bijgedachten of door het onderzoeken van eventuele andere mogelijkheden.
Dat was jammer. Koningin Wilhelmina was namelijk gehuwd (gelukkig maar, onder deze omstandigheden en in die conventionele tijd) met Prins Hendrik en deze prins had de gewoonte om ieder jaar op dezelfde dag jarig te zijn, n.l. op 19 april. En Amsterdam stak dan de vlag uit en liet de kerkklokken beieren. Jammer voor mijn moeder en voor de pasgeborene, maar de koningin stelde de bevalling nog elf dagen uit, tot 30 april. Toen werd de tegenwoordige koningin Juliana geboren.
Op 1 mei 1910 volgde mijn zus Branca, genoemd naar grootmoeder van moederszijde, en op 9 maart kwam Heiman, die vernoemd werd naar grootvader van moederszijde. Dat was in 1912. Ruim een jaar later verhuisden mijn ouders naar Haarlem. Wat de aanleiding daartoe is geweest, weet ik niet, maar het gevolg was wel, dat toen ik werd geboren op 23 november 1914 ik Haarlemmer was of eigenlijk een Schotenaar, want de grens tussen Haarlem en Schoten lag een paar straten zuidelijker dan de straat, waarin ik werd geboren, n.l. dwars door de Generaal Joubertstraat.
Als jongens van een jaar of tien wisten we precies waar die grens was, want Kouwenhoven, het kleine driftkikkertje met de lange sabel en zijn korte, rappe beentjes, of “Kleurtje”, de lange agent met zijn rode koontjes, probeerden ons altijd vóór die straat te pakken te krijgen, hetgeen ze echter nooit gelukt is.
De Generaal de la Reystraat! Wij noemden hem de Generaal de Lulderijstraat, wat liggen daar nog een herinneringen aan mijn jongste jeugd. De jongens uit de straat: Ellefie (zal wel Alf zijn geweest) en Miesie Braakman, waarmee Herman en ik de meeste tijd doorbrachten. Ellefie, die later een meubelmakerij begon en in het niets is verdwenen, Miesie, die kort geleden nog een tiental sigarenwinkels in Haarlem had. Pietje en Bertje Peters, welke laatste thans beheerder is van de Turkse Tent op Texel. En buurman Bert Peters, daarover moet ik wat vertellen.
Buurman Bert Peters was een rauwe. Oorspronkelijk was hij typograaf, maar nadat hij in zijn avonduren met gereedschap van zijn baas en met op duistere wijze verkregen papier zijn weekloon ging aanvullen, werd hij uit de bond gezet en kon dus niet meer in het georganiseerde drukkerijbedrijf werken. Ja, de typografenbond was de eerste bond met verplicht lidmaatschap en daarom was het een veelbegeerd beroep geworden, want je had er zekerheid. Al was het maar de zekerheid, dat je er uitgeknikkerd werd, als je al te gekke dingen in je hoofd haalde.
Buurman Bert was dus zonder werk en in het sigarenwinkeltje van mijn vader liep het niet meer zo best. Bert had de oplossing kant en klaar in zijn hoofd. “Bram”, zei-ie, “Bram, pak op je kissies sigaren, we gaan de boer op.” Voorop de fietsen werden bagagedragers gemonteerd en twintig kistjes sigaren vonden er een plaats. Een paar uur later waren ze terug. “Los!”, riep mijn vader al op de hoek van de straat. Dat was in 1920, denk ik.
Toen is het een poosje een goede tijd geweest in huize Cohen Rodrigues. Iedere week ging mijn vader “de boer op” met zijn sigaren en het liep goed. Er was geld in huis en dat merkten we. De lijfspreuk van mijn ouders was: “Armoe als je geen geld hebt en armoe als je wel geld hebt, dan heb je altijd armoe.” Dus werd er gekocht. Ik herinner me nog de sinterklaasavond in die tijd. Onvoorstelbaar: er kwam een poppenwieg voor Branca en een echte speelgoedauto voor mij, een timmerdoos voor Herman en een heuse banketletter voor mijn moeder.
Ik geloof niet, dat deze gouden eeuw erg lang heeft geduurd. Mijn vader was geen zakenman, zoals zijn drie zoons trouwens later ook niet zouden worden. Hij heeft tot in de Tweede Wereldoorlog nooit een andere methode toegepast om zijn sigaren aan de man te brengen. Tot in 1941 toe ging hij de boer op met zijn kistjes sigaren voorop de fiets, steeds in conflict met de wettelijke bepalingen, neergelegd in de wet op de tabaksaccijns. Ja, zo was hij nu eenmaal, altijd dwars tegen de wet in, maar altijd in het kleine, nooit werkelijke overtredingen en steeds proberend zijn weekinkomen iets te vergroten door het ontduiken van de accijns.
Op 21 augustus 1923 werd het gezin nog vergroot door de geboorte van mijn zus Chel. Op deze gedenkwaardige dag werden wij vieren (het was schoolvacantie) naar de duinen bij Overveen gestuurd om te spelen. Het was ongeveer een uur lopen voor onze kindervoeten, een uur terug maakte twee uur en als we daar dan een flinke poos met zand speelden, dan waren mijn ouders ons een behoorlijk poosje kwijt. Toen wij om half vijf thuis kwamen, bevreesd voor een standje, omdat we zo laat waren, en omdat we de kolenschep, die we hadden meegekregen, waren verloren, meldden we dat verlies maar direct. Opgewonden stuurde mijn vader ons direct weer terug naar de duinen om te gaan zoeken. Wisten wij veel van een aanstaande geboorte en van een bevalling, die niet zo makkelijk verliep?
Mokkend aanvaardden wij weer de tocht naar de duinen, een uur verder weg. Wij zochten en zochten, maar de kolenschep was niet te vinden. Plotseling hoorden we onze vader fluiten, het familiefluitje, dat ook nu nog ons herkenningsteken is. Beducht voor een nieuwe uitbrander gingen we hem tegemoet, maar hij was heel anders dan anderhalf uur geleden. Hij was vrolijk en lachte en ik mocht voor op de fiets op het plankje van de sigaren zitten en Joop, Branca en Herman mochten met de blauwe tram naar huis, van het eind van de Julianalaan in Overveen naar het station in Haarlem en dan was het nog maar zeven minuten lopen naar huis.
Weer was er een kindeke geboren. Nu, in 1978 vraag ik me af of ze misschien beter niet geboren had kunnen worden, maar daarover wil ik dit verhaaltje aan jullie niet schrijven, daarover moeten jullie maar eens lezen wat ik in de oorlog in mijn dagboek heb geschreven.
Om een gezin van vader, moeder en vijf kinderen te onderhouden van de winst, gemaakt op de fabricage van zo’n duizend sigaren per week, dat is voorwaar geen eenvoudige opgave geweest. Alleen al de productie vergde nogal wat arbeid en het hele gezin werd daarom noodzakelijk ingeschakeld. Aan de striptafel zaten wij met ons vieren, 12, 11, 9 en 7 jaar oud en we haalden de stelen uit de bladen voor het binnengoed en de bladen trokken wij uit elkaar, goed klein, en lieten ze in de ruif boven onze knieën vallen. En omdat het sinterklaastijd was, zongen we van paardevoetjes, die zoetjes trappelden en van het heerlijk avondje, dat was gekomen en we zongen over suikergoed en marsepein, al wisten we van het laatste niet hoe het smaakte, zelfs niet hoe het er wel uitzag.
En “Kleurtje” stond voor het raam naar ons te kijken. We lachten naar hem en door dit publiek aangemoedigd, zongen we ook nog van de stoomboot, die ginds aankwam en van de maan, die ergens door de bomen moest schijnen. En toen kwam “Kleurtje” naar binnen. Hij vroeg, wat we daar deden en of we dat moesten doen van onze vader. Mijn vader was niet thuis en mijn moeder, die de winkelbel had gehoord, kwam naar voren en schrok, toen ze “Kleurtje” zag. Ad rem begon ze tegen ons uit te pakken en schreeuwde, dat we van die tabak moesten afblijven en naar achteren moesten gaan. Ik hoorde haar nog tegen de agent zeggen: “Honderdmaal hebben we ze dat al verboden, maar die rotjongens doen het toch steeds weer.”
Nu begrijp ik volledig hoe het hart van mijn Jiddische Memme toen heeft gebloed, maar toen was ik verontwaardigd en later nog meer, toen de schuur, achter in de tuin werd ingericht voor het strippen, zodat geen nieuwsgierige wetsdienaar ons kon zien zitten.
Na schooltijd stripten we en op woensdagmiddag stripten we, onderbroken door een bezoek aan de Joodse School in de Lange Wijngaardstraat, waar we bijbelse geschiedenis leerden en Hebreeuws. Maar we moesten altijd direct weer naar huis, want de tabak lag ingevocht op ons te wachten. Als de stapel tabak, die mijn vader als dagtaak voor ons had neergelegd, klaar was, dan mochten we naar buiten, spelen met de jongens, die we al zo lang aan de gang hadden gehoord. Achteraf was het dom van mijn ouders, dat ze oude jassen en schorten in de schuur lieten hangen, want in die kleding zaten zakken en die konden gevuld worden met tabak uit de stapel op de striptafel. Dat deden we dan ook en konden zodoende wat eerder meedoen met “Verban om het Prikkie” oftewel verstoppertje met als demarcatielijn het Pretoriaplein.
Toen mijn vader weken later zijn voorraad aangevuld zag met al de tabak, die uit de jassen en schorten te voorschijn kwam en die onder planken en kieren weggestopt had gezeten, kregen we vanzelfsprekend een paar klinkende oplawaaiers, maar zijn oogjes glommen over deze zeer onverwachte meevaller.
Toen er elektriciteit kwam in ons huis, werd de werkplaats in zijn geheel overgeplaatst naar deze schuur. De gaspitjes in de keuken en in de winkel en huiskamer werden vervangen door gloeilampen, veertjes noemden we ze vanwege hun veervorm met een puntje onderaan. Als zo’n veer kapot was, werd ze niet weggegooid, dat was zonde van zo’n duur ding. Nee, er werd een netwerkje om gehaakt en er kwam een mandje onderaan te hangen en dan had je een luchtballon, die als sieraad voor het venster een plaatsje kreeg. Iedereen kon dan zien, dat je vooruitstrevend was: je had elektriciteit of, zoals we zeiden: elektra.
Kleinhout kwam het aanleggen met een jongmaatje en wij mochten helpen propjes te snijden van hout. Met een handboor maakte hij gaten in de muur en dan ging er zo’n propje in om de schroeven te bevestigen, waarmede de zadels werden vastgehouden voor de ijzeren draadleiding. In de winkel kwamen twee lichtpunten en in de kamer en de keuken één en ook één in de schuur. Stopcontacten, de tegenwoordige wandcontactdozen, hadden we niet. Wat zouden we daar ook mee moeten doen? Koffie werd met de hand gemalen, de molen tussen de knieën geklemd, van een stofzuiger hadden we nooit gehoord, de vloer werd met de bezem geveegd en met stoffer en blik werden de uitgestrooide theeblaren opgeveegd. Radio, boormachines, projectoren of elektrische treintjes, we hadden er nooit van gehoord, om van televisie maar niet te spreken.
Het was niet wat we tegenwoordig sfeerverlichting plegen te noemen, onze lampenbatterij. Het peertje zat in een koperen fitting en middels een koperen houdertje werd een porseleinen schaaltje er om heen vastgehouden, een wit schaaltje, dat echter niet lang wit bleef.
Als Herman en ik in de schuur zaten te strippen en mijn vader was er niet, dan was het peertje uit de fitting gehaald, opdat we het niet konden laten branden, want stroom was duur.
Ach, wat doe je, als het geestdodende strippen je de keel gaat uithangen? Je gaat wat uitvinden. En dat deed Herman. Met een ijzeren staaf zat hij in de fitting te peuteren, tot hij een elektrische schok voelde. Met grote angstogen hanteerden we daarna de toverstaf. Ieder op z’n beurt of allebei tegelijk en we dansten van de sensatie, die deze uitvinding ons opleverde. Wij zagen het gevaar niet en ook onze ouders waren niet onder de indruk van ons experiment.
De nieuwe tijd bracht op dit gebied ook wel problemen mee. Op een avond zaten we in stikkedonker. Hoe we ook draaiden aan de schakelaars, er kwam geen licht in de duisternis, de techniek liet ons in de steek. Mijn vader sprong op zijn fiets en een poosje later kwam Kleinhout. Hij morrelde wat bij de elektriciteitsmeter, draaide een nieuwe stop in en, o wonder, er was licht. Ik hoor nog mijn moeder schateren, toen ik de op Joodse School geleerde zin reciteerde: “God hief zijn hand en sprak: ’t Zij Licht.”
In die tijd was mijn oudste broer Joop al in het arbeidsproces opgenomen. Hij was “japonnenmonteur” geworden. Dat zat zo: hij had altijd gezegd, dat hij monteur wilde worden. Wat voor monteur, dat was altijd in het midden gebleven, want er viel niet zo veel te monteren in die tijd. Toen hij dertien jaar was en van school kwam, was een beetje bijverdienste wel welkom en hij kwam te werken bij de stoffenzaak van Van Dam en Van Dijk in de Zijlstraat. Hij werd er loopjongen, moest de bestellingen afleveren bij de dames, die in die tijd nog niet hadden gehoord van Cash and Carry. Hij was nog wel geen veertien jaar, maar ach, zo nauw keken de heren van de arbeidsinspectie nu ook weer niet. En als ze je aanhielden en vroegen hoe oud je was en je zei: veertien, nou, dan waren zij verantwoord en ze vroegen gemakshalve dan maar niet naar je arbeidskaart, die je altijd bij je moest hebben, maar die uiteraard pas werd verstrekt als je veertien was.
Toen hij dus geen monteur werd, maar in de stoffen terecht kwam, noemden Herman en ik hem de Japonnenmonteur, tot groot vermaak van mijn moeder en tot grote ergernis van Joop zelf.
En toen kregen ze weer eens bonje, mijn vader en moeder. Dat kwam wel vaker voor, maar deze keer was het echt raak. Ik herinner me, dat toen vaak de naam werd genoemd van Bekkie. Wie dat geweest is, ik weet het niet, maar het moet iets te maken hebben gehad met de vele zakenreizen van mijn vader naar Amsterdam.
Mijn moeder pakte op een morgen, dat wij naar school waren en mijn vader ook uithuizig was, mijn zusje Chel op en verdween zonder achterlating van een adres. Toen zat Bram in de klem. Echt waar, ik zie hem nog zitten. Hij staarde alsmaar in de koperen bloempot, waar de Clivia in stond op de piëdestal voor de deur naar de tuin. Na een week liet tante Marie los, waar zijn Floortje was gebleven en hij ging halsoverkop naar mijn nicht Esther in Heusden, om haar op te halen. Groot feestgedruis na hereniging van het gezin.
Ze hadden wel meer meningsverschil, maar dat werd dan geruisloos uitgevochten. Dagen, soms wekenlang werd er dan gekopt. Er werd niet tegen elkaar gesproken en wij, kinderen, bewogen ons als schuwe vogeltjes tussen deze twee grote mensen, die hun ellende niet de baas konden. Zo hadden ze weer eens weken achtereen stommetje gespeeld en we leden er onder. We huilden niet en we lachten niet, we waren heel erg timide. Daarom was ik verbaasd toen ik op een keer de straat inkwam en Herman tegenkwam, die luidkeels liep te zingen. Toen hij me zag, stormde hij op me af en brulde: “Het is over! Ze praten weer.” “Hoe kan dat?”, vroeg ik. “Nou, pa liet een poepie, moe lachte en toen gaven ze mekaar een zoen. Ik moet taartjes halen. Ga je mee?”
Samen gingen we naar bakker Mol in de Paul Krugerstraat en we kochten zeven gebakjes voor vijfendertig cent totaal. Het was groot feest in de Generaal de Lulderijstraat.
In al hun ellende en hun armoe, bij al het sappelen om de monden open te houden hadden mijn ouders toch een sociale taak op zich genomen. Vooral mijn moeder zette zich in voor het organiseren van diverse sociale bezigheden. Eén daarvan was het sinterklaasfeest van de socialistische vrouwenbond, waarvan ze wel lid geweest zal zijn. In de zaal van Slot aan het Pretoriaplein speelde ze dan poppenkast voor de kinderen en ze schonk chocolademelk uit de grote grijze ketel, precies zoals de koningin dat thans nog doet voor haar personeel.
In 1922 kwam de wet op de tabaksaccijns en mijn vader heeft zich met deze wet nooit kunnen verenigen, zoals hij trouwens moeite had met alle wettelijke bepalingen. Toen het in 1927 verplicht werd om een rode reflector op het achterspatbord van je fiets te hebben, stelde hij de aanschaf uit tot het allerlaatste en toen hij er een had gekocht, draaide hij hem om en om in zijn handen en sprak de gedenkwaardige woorden: “Het zijn prachtige dingen en het is broodnodig. Maar dat ze je ertoe verplichten, dat vind ik erg.”
Volgens de Tabakswet (zo zal ik hem maar noemen) moesten de tabakswaren van een banderolle worden voorzien. En om te voorkomen, dat er ongebanderolleerde sigaren uit een werkplaats werden vervoerd, mocht een werkplaats slechts van één uitgang voorzien zijn. Dat nu was in het schuurtje in de tuin niet het geval, want we konden over de schutting heen net zoveel sigaren uitvoeren als we wilden en daardoor de controlerende ambtenaren voor de deur of op de twee hoeken van onze straat misleiden.
Toen mijn vader na herhaalde aanmaningen niet voldeed aan de eis om de tuin aan de achterzijde volledig met zeer fijn kippengaas af te rasteren, ook aan de bovenzijde, toen zijn de ambtenaren gekomen, versterkt met Kouwenhoven en Kleurtje en hebben de hele tabaksvoorraad in beslag genomen en hij kreeg een proces-verbaal en een werkverbod.
Toen heeft mijn moeder de kinderen bij elkaar geraapt en we stapten naar de Generaal Cronjéstraat, naar het bureau van de Armenraad. Resoluut beende ze naar binnen met haar kroost en zei tegen de onthutste ambtenaar: “Het rijk heeft mij het brood afgenomen, de gemeente zal het mij teruggeven.”
In die tijd waren mijn schoenen ook zo ver versleten, dat mijn tenen er doorheen kwamen, dwars door mijn versleten kousen heen. Dezelfde ambtenaar schreef ook een bon voor een paar klompen voor me, die ik trots als een pauw ging halen bij de Klompencentrale in de Reitzstraat.
Mijn vader moest voor de Edelachtbare Heer Kantonrechter verschijnen in verband met zijn overtreding en hij werd veroordeeld tot een boete van honderd gulden, te vervangen door één dag hechtenis, naar keuze. Alsof er van keuze sprake was voor mijn doodarme ouders. Hij ging “zitten”. Moeder bracht hem naar de Harmenjansweg en kwam huilend thuis. Haar Brammetje in de bajes? Niet om overheen te komen.
’s Avonds kwamen de buren: Peters en De Kuster. En buurman “Ja”, Oudendijk heette hij, ik weet het weer. En Zus de Kuster was er. Dona kwam, Dona, de anarchist, die altijd wilde discussiëren aan de hand van De Vrije Socialist en die verkikkerd was op mijn moeder en er steeds maar met haar vandoor wilde gaan.
Van minuut tot minuut probeerde mijn moeder zich voor te stellen wat Brammetje nu weer zou doen en de buren en vrienden probeerden maar haar op te vrolijken en ze slaagden daarin ook nog enigermate.
De volgende avond om zes uur was hij weer thuis, opgetogen verhalend over wat hij had meegemaakt. Ze hadden hem in bad gestopt. Dat had hij nog nooit meegemaakt: Bram in een badkuip. En ze hadden met opzet niet gezien, dat hij pruimtabak had meegenomen. En hij had met nog twee maten in een cel gezeten en die hadden via de elektra kans gezien om vuur te maken voor naar binnen gesmokkeld rookgerei. Nee hoor, hij had zich niet verveeld in de bajes, zei Brammetje.
Veel geleerd heeft hij er ook niet van: zijn strijd tegen de “rijksambtenaren” heeft hij altijd en overal volgehouden. Hij kocht altijd de goedkoopste banderolles, van f 2,- voor honderd sigaren. Hij verkocht ze ook tegen die prijs, maar rekende voor het thuisbrengen de rest van het bedrag, dat hij in zijn hoofd had. Ook had hij altijd een oude krant in zijn zak. Had hij dan een kistje sigaren verkocht voor f 2,- + f 1,50 voor het “thuisbrengen”, dan wachtte de klant nog een onvoorziene ceremonie. “Ogenblikkie”, zei hij dan en haalde de krant te voorschijn. Hij scheurde er een reep af en al pratende maakte hij die nat om hem vervolgens over de banderolle te leggen en babbelend over alles en nog wat het ogenblik af te wachten tot het belastingdocument losliet. De stijfsel, waarmee het aan het kistje was bevestigd, was daar trouwens op berekend.
Eenmaal losgelaten, werd het als een kostbaar kleinood opgeborgen om de volgende keer weer dienst te kunnen doen. Zo had hij altijd gebanderolleerde sigaren voor op zijn fiets en de argwanende rijksambtenaar keek en keek; maar omdat de Tabakswet niets zei over de conditie, waarin de banderolles zich moesten bevinden, moest hij hem laten gaan. Wel loerde hij vanzelfsprekend op de mogelijkheid om Brammetje op een andere manier te pakken.
Omdat in verband met deze voortdurende competitie tussen mijn vader en de ambtenaren mij iets te binnen schiet, dat een paar jaar later gebeurde, wil ik even een sprongetje in de tijd maken.
Mijn vader had een werkplaats met nog wat andere sigarenmakers in de Lange Herenstraat in Haarlem. Die straat bestaat thans niet meer, hij is bij het Stationsplein getrokken. Bij hem werkte ook Jan Kelbling, een Jordaner tot in zijn nieren. Hij stond als standwerker vaak op de markt en bracht met veel verve zijn sigaren aan de man. Hij trok altijd een groot publiek vanwege zijn humoristische toespraken tot zijn geachte clientèle. Ik was in de werkplaats geweest om te strippen en toen ik wegging, zag ik op de hoek van de Kruisstraat de ambtenaren staan. Door familiebanden verbonden, was ik natuurlijk partij in de strijd en via de Lange Molenstraat en de Jansstraat keerde ik terug om de sigarenmakers voor het gevaar te waarschuwen.
“Me selle se hellepe!”, zei Jan. Hij pakte een leeg sigarenkistje en verdween er mee op het toilet, waar hij het met enige moeite vulde met een gezonde Amsterdamse bolus. Keurig werd het kistje dichtgemaakt en onder het toeziend oog van de medestrijders in grauw papier gepakt. Een touwtje vervolmaakte de verpakking. En toen ging Jan op pad, zijn bolhoed met het vierkante gat erin, dat hij altijd op de markt droeg, strijdvaardig op één oor.
“Halt, Rijksambtenaren!”, klonk het op de hoek van de Kruisstraat, een van de drukste winkelstraten van Haarlem. “Wat vervoert u daar?” “Voor jullie een vraag, voor mij een weet”, antwoordde Jan. Met een puntig mesje werd de knoop uit het touwtje gewurmd. “Denk erom”, merkte Jan nog op, “Denk erom, dat je het weer net zo inpakt als het nu zit, ik blijf voor jullie niet aan de gang!” Hij wist natuurlijk, dat dit tot de plichten van de ambtenaar behoorde.
Tijdens het peuteren aan het touwtje, zette Jan zijn Amsterdamse strot aan het werk op de manier, waarop hij op de markt een standje rond zijn kraam begon op te bouwen. “Kom hier, dames en heren. Kom hier en kijk, hoe goedbetaalde rijksambtenaren een hard werkende sigarenmaker proberen de kast in te draaien!” en nog veel meer van dat moois. Er verzamelde zich een grote menigte om de rood aanlopende ambtenaren, die zich vast niet zo lekker gevoeld zullen hebben in de uitoefening van hun functie. Toen het touwtje er af was en het grauwe papier werd losgemaakt, veranderde Jan zijn toespraak: “Wat denken ze te vinden? Sigaren. En wat denkt u, dames en heren, wat ze vangen? Een drol, een Amsterdamse drol!”
Toen de ambtenaren merkten, dat het dit keer geen leugen was, die Jan verkondigde, maar dat ze er letterlijk in waren gestonken, moesten ze de surprise nog netjes inpakken ook, onder luide toejuichingen van het publiek dat daartoe door Jan werd aangevuurd.
Deze slag hadden ze verloren, maar toen Jan enige weken later in het gereedschapstasje, dat onder het zadel van zijn fiets hing, drie ongebanderolleerde sigaren voor eigen gebruik mee naar huis wilde nemen, toen hadden ze hem te pakken. En gedachtig aan de gebeurtenis met het sigarenkistje, veroordeelde de kantonrechter hem tot de eenheidsprijs: honderd gulden of één dag. Jan pikte die dag. Voor honderd gulden moest je immers maandenlang werken en hij verdiende dat op één dag.
Nu maar weer terug naar de Generaal de la Reystraat en met iets minder sombere verhalen.
Heb ik al verteld van Gosse? Ik geloof het niet.
Mijn vader had een eigen opvatting over geld. Geld is een ruilmiddel, dus hij redeneerde: nee, hij redeneerde niet. Zijn intuïtie zei hem, dat er geen verschil was tussen sigaren en geld. Geld was een ruilmiddel en met sigaren kon je ook ruilen. Bovendien had hij altijd meer sigaren dan geld, dus om een ruilmiddel zat hij niet verlegen. Alles ruilde hij er voor: bloemkool, eieren, jonge eendjes, jonge ganzen, aardappelen, ja, zelfs een keer een echte broedmachine. Daarin heeft hij kuikens uitgebroed, in de schuur, waar hij werkte. Hij keerde met van de tabak bruine handen, tweemaal op een dag de eieren met de zorgvuldigheid van een broedende kip.
De tuin was niet groot en vooral de jonge ganzen moesten de ruimte hebben en een oude wasteil met water om in te zwemmen, hetgeen ze nooit deden, daarvoor stonk het rottende water te veel. De tuin moest dus worden vergroot. Aan onze tuin grensde de tuin van paardenslager Bogaard uit de Tugelastraat. Deze tuin werd niet gebruikt, dus voor vijf sigaren in de week werd met Bogaard overeengekomen, dat de schutting 3 meter achteruit gezet mocht worden, zodat er ruimte kwam voor de ganzen. Bovendien ontstond voor ons, kinderen, de mogelijkheid om nauwer in contact te komen met Gosse, de knecht van groentewinkelier Nieuwenhuizen in de Paul Krugerstraat. Gosse werkte in het pakhuis, dat nu aan onze tuin grensde. Hij verzorgde daar het paard, dat de groentekar trok en hij kookte de bieten, die door de huisvrouwen werden gekocht, als ze van hun werkhuis kwamen. Dan waren ze gauw klaar voor het avondeten.
Als de lucht van de gekookte bieten tot ons doordrong, zo ’s morgens om een uur of half acht, dan klommen we op de schutting en dan smeekten we: “Gosse, krijg ik een bietje?” En omdat Gosse een kindervriend was en omdat hij wist, dat we het niet rijk hadden en omdat hij het zelf niet hoefde te betalen en omdat hij dacht dat het beter van een stad dan van een dorp ging, voorzag hij ons van een bietje in veelvoud. Als wij ons dan een buikloop hadden gegeten aan de gloeiendhete, langwerpige lekkernij, dan bleef er nog genoeg over voor het hele gezin om daar een paar dagen van te eten. En net zo ging het met worteltjes, bij bossen tegelijk wierp hij ze in onze tuin en wij haastten ons om ze tussen de ganzenpoten vandaan te graaien. En wat waren we gelukkig, ja echt gelukkig, met zo’n buitenkansje. Zo zie je, hoeveel vijf sigaren in de week wel waard zijn, als je maar weet met wie je ruilt.
De winkel werd gesloten. Er kwamen geen klanten meer en omdat wij groter werden, moest zij bij de woongelegenheid worden getrokken. De etalage werd afgebroken en er kwamen gordijnen voor de grote winkelruit. De werkplaats bleef in de schuur gevestigd en iedere zaterdag ging mijn vader de boer op met zijn sigaren voorop de blauwe fiets. Toen de belasting weer eens een eind maakte aan de bedrijvigheid achter het huis ten koste van één nacht slapen en eten op rijkskosten, toen kwam eigenlijk de grote omwenteling.