In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 13: JA, EEN KLEIN HANDJE VODDEN
Onbegrijpelijk, wat een mens van 63 jaar zich nog kan herinneren uit zijn allereerste jeugd, uit de tijd, dat hij een hummel was van vier, vijf jaar. Als er nu oude kennissen bij ons komen, die ik laat lezen, wat ik zoal aan het schrijven ben, dan komen de verhalen los. En dat doe ik met opzet, want dan komt er bij mij ook weer zoveel naar boven. Vooral als blijkt, dat die kennissen vroeger ook bij mij in de buurt hebben gewoond, zoals Gerrit Mensink en Cor Hartman. Dan praten wij over de Generaal de la Reystraat en de Generaal Bothastraat, waar Cor woonde en over zijn moeder, die een vriendin van mijn moeder was en wat die twee vrouwen met elkaar in de SDAP voor werk hebben verzet.
We hebben het over de winkels, die er waren en over de mensen, die er woonden en ook over de kooplieden, die door de straten kwamen met hun handwagens. En over de paarden van de huzaren uit de Ripperdakazerne aan de Schoterweg. Maar nu moet ik niet alles tegelijk willen vertellen. Nee, één voor één, dan kunnen jullie het een beetje volgen.
Eerst de Huzaren maar. Ze werden de remonterijders genoemd of iets van deze strekking. Ik heb nog even in een paar woordenboeken gezocht of ik iets kon vinden, dat er op leek, maar ik heb geen zin om me daar lang in te verdiepen. Mijn vingers jeuken om je er meer van te vertellen en dan is de naam niet zo belangrijk, vind ik.
Die huzaren dan, die zaten op een paard. Voor ons was dat vanzelfsprekend, maar als ik tegenwoordig over huzaren hoor en lees, dan zitten deze lieden meestal op een tank of ander gemechaniseerd vervoermiddel. Maar in mijn jeugd zaten ze op heuse paarden en dat waren er heel wat. Nu hadden en hebben paarden de geestelijke en lichamelijke verzorging nodig, die tanks en auto’s missen. Als ze niet in bedrijf zijn, dan hebben ze toch behoefte aan eten en aan lichaamsbeweging om in conditie te blijven en om het niet verteerde eten weer kwijt te raken. En dat deden ze dan in de straten van mijn buurtje. Iedere morgen om negen uur kwam de horde onder luidruchtig geroffel van de paardhoeven de straat in. Zo’n veertig tot vijftig paarden, kont aan kont, stapvoets door de volksbuurt. Dat was weliswaar een vertrouwd beeld geworden, maar desondanks toch iedere morgen weer een schouwspel, dat de moeders van de naar school zijnde kinderen naar buiten lokte. Die stoere soldaten, die in die tijd niet zo veel andere opmerkingen aan het adres van de jeugdige moedertjes zullen hebben gelanceerd dan de tegenwoordige jongens van zo’n jaar of 20 of de jongens, die over een groot aantal jaren die leeftijd zullen hebben.
Ook mijn moeder stond dan aan de deur en ze zal echt wel haar antwoordjes gereed gehad hebben, want ze was niet bepaald op haar knappe mondje gevallen. En de paarden trappelden voorbij. Als je bij zo’n grote groep ten minste van trappelende paardevoetjes zou kunnen spreken. Maar als ze pech had, dan was Jan van Dam er ook bij. Ik heb geloof ik al eens over hem geschreven. Jan was onze buurman en beroepshuzaar. Deze twee eigenschappen in combinatie stelden hem in staat een stunt uit te halen. Omdat hij beroeps was, wist hij precies, wat hij met die paarden kon uithalen. En omdat hij onze buurman was, wist hij even precies, hoe hij mijn moeder de stuipen op het lijf kon jagen. Dat mijn moeder als de dood was voor een kudde huppelende paarden, was hem dus bekend. Gelukkig weet Jan, als hij nog leeft, niet, dat mijn moeder deze angst op mij heeft overgedragen, anders zou hij misschien nog wel eens met zo’n stel huzaren aan komen draven, al was het maar in mijn droom.
Als Jan zag, dat mijn moeder aan de deur stond, dan zag hij kans om die paarden allemaal te laten huppelen en springen tot vlak voor de deur, waarachter mijn moeder dan zenuwachtig lacherig stond angstig te wezen, wachtend tot het gevaar was geweken. Dan kwam ze weer naar buiten om met de buurvrouwen na te giechelen over die ‘gekke Jan’ toch.
Maar niet alle buurvrouwen deden mee aan deze nabespreking. Nee, daar hadden ze op dit ogenblik geen tijd voor. Toen ze de paarden hoorden aankomen, holden ze naar de keuken en stonden klaar, gewapend met de kolenschep en een emmer om de dampende paardenvijgen van de straat op te vegen. Wie had er in die tijd ooit van kunstmest gehoord? Zeker niet de vrouwen, die in hun armetierige achtertuintjes de povere sprietjes, die ze planten noemden, poogden in het leven te houden. Paardenmest was daarvoor bij uitstek geschikt, hadden ze elkaar verteld. En daarom stonden ze gereed, ’s morgens om negen uur, als de soldaten kwamen met hun cavaleriepaarden met vruchtbaarheid brengende mest. En met een variatie van een bekend gezegde in hun met een knotje haar bedekte hoofden zeiden ze: ‘Wie het eerst komt, het eerst schept’. En liefdevol werden de emmers met dampende paardenvijgen eerlijk onder de plantjes verdeeld. Uit die tijd moet de anecdote stammen van de ene buurvrouw, die aan de andere vroeg: ‘Had je veel stront vanmorgen, buurvrouw?’ En het stereotiepe antwoord luidde: ‘Nou, het was maar mondjesmaat.’
Het was een wereldje apart, die straatjes uit onze jeugd. Ieder leefde met ieder mee. Toen buurman IJskoud overleed, rouwde de hele straat met juffrouw IJskoud mee en Piet de Leugenaar, die de schillen ophaalde en daarvoor een cent per bak schillen uitkeerde, zorgde voor de overbrenging van de familieberichten. Dat hij daar wel eens mee miskleunde, blijkt wel uit de naam, die hij met zich meedroeg. Hij had een sociale taak, Piet de Leugenaar, want er werden beslist geen schillen in de vuilnisbak gegooid. Nee, Piet haalde ze op en bracht ze ergens bij een boer, die het opgehaalde afval door zijn koeien weer liet omwerken tot melk. En de cent, die hij er voor gaf, kon heel goed worden gebruikt in het huisgezin.
Ook op andere terreinen waren sociale werkers actief. Ik heb er boven deze brief al op gewezen. Plotseling was hij er: de man met de handwagen. Wanneer hij precies kwam, wisten we niet, maar straten van te voren was hij al gesignaleerd door de kinderen. Er heerste dan een zenuwachtige stemming onder de jeugd en ze holden naar hun moeder toe: ‘Moe, hij is er weer!’ En dan kwam hij de straat in geduwd, zijn grote handkar volgeladen met allerlei snuisterijen: eendjes, die op een plankje waren gespijkerd en door een veertje in voortdurende beweging gehouden. Een aapje op een stokje, of eigenlijk op twee stokjes. Als je met je kleine handje die twee stokjes tegen elkaar aankneep, dan buitelde dat aapje over de kop. Priktollen en zweeftollen met een zweep, maar die waren voor meiden. Uitgezaagde paardjes op een plankje met wieltjes, die je achter je aan kon trekken. En nog veel meer moois. Zijn hele wagen lag er vol mee. En onder die wagen was een enorm grote lade, waar hij de vodden in stopte.
Ja zeker, de vodden. Als hij de straat inkwam, zong hij zijn liedje: ‘Ja, een klein handje voddeeeee’. Dat lied was bij ons overbekend, zowel de wijs als de woorden. En de betekenis was zeer goed tot ons doorgedrongen.
Zoals ik al zei, de kinderen holden naar hun moeder toe en als die moeder geluk had, was ze thuis. Dan kon ze namelijk zelf bepalen wat de kwalificatie ‘vodden’ verdiende. Was ze echter niet thuis, dan was de kans heel groot, dat de kinderen zelf de kast indoken en alles wat als stof aanvoelde, werd tot vodden gepromoveerd en naar de handwagen getransporteerd, onder het motto: komen de dagen dan komen de vragen (vaak werden het echter slagen).
De man inspecteerde het aangevoerde materiaal en wees aan de hand van de waarde ervan aan, wat je van de kar mocht nemen. Nee, uitzoeken was er niet bij, als je van je moeder een klein handje vodden had gekregen. Had je echter zelf wat uit de kast gekaapt, dan kwam je er vaak veel beter van af, want dan mocht je echt zelf wel uitzoeken onder de jaloerse blikken van de buurkinderen. Vol leedvermaak vertelden die de volgende dag elkaar dan hoe de gelukkige uitzoeker thuis op z’n donder had gehad. ‘Juist goed!’ zeiden ze dan tegen elkaar, maar in hun hartje leefde de hoop, dat de volgende keer hun moeder verstek zou laten gaan als ‘hij’ weer kwam.
Wie kwam er nog meer met een handkar door de straten? O ja, de man met bananen, een vrucht, die toen nog niet zo algemeen werd gegeten als tegenwoordig, maar toch al in opkomst was. Uit het verre Indië, de Gordel van Smaragd, werden ze aangevoerd. Indië was van ons, dat leerden we op school, waar ons werd verteld van de grote rijkdommen, die dat land voortbracht: bananen, pinda’s, nootmuskaat, kokosnoten en nog veel meer. En dat was allemaal van ons en daarom stonden er in Amsterdam en in Hoorn en Enkhuizen van die prachtige grote huizen. En de tabak, die er vandaan kwam, die maakte Nederland ook rijk, zo leerden we. Pas later zijn we gaan beseffen, dat die rijkdom slechts ten goede kwam aan enkelen. De mensen uit mijn straat deelden er niet in mee en ook de mensen in Indië niet. De Javanen op de rijstplantages waren net zo arm als wij en net zo arm als de man met de handkar, die schreeuwde: ‘Twee cent de banaan, twee cent de banaan.’ Zijn karretje lag er vol mee, ook al was het al tien uur in de avond en hij nog steeds liep te schreeuwen, omdat hij voor zijn gezin het brood moest verdienen. Net zo arm was hij als de man die op zondagmorgen in de Jodenhoek stond te schreeuwen: ‘Kokosnoot, een cent de moot. Als je die niet eet, dan ga je dood.’
Ze waren, gezien in het licht van 1978, spotgoedkoop, de ‘koloniale waren’. Dat kon ook niet anders, want het meeste werd als ballast uit Indië aangevoerd. De grote schepen van de KNSM voeren naar Indië en hadden naast ontelbare kolonialen ook materiaal aan boord waar in de ‘Oost’ wel vraag naar was. Maar als de kolonialen van boord waren gegaan en daarginder hun zes jaar gingen uitdienen, waar ze hier met hun dronken kop voor hadden getekend, dan moesten de schepen zonder lading terug en dat was toch ook zonde. Daarom werden ze volgestouwd met koloniale waren uit het land van bruine mensen, uit het land van suikerriet. En daarom betaalde je voor een banaan in Nederland twee cent en voor een pond pinda’s 2 cent, net zo veel als voor een pond honderijst (mijn vader is er gek op).
En dan de vent met Berliner bollen. Een glazen bakje op zijn buik aan een riem over zijn nek zong hij ook zijn liedje: ‘Zes cent de Berliner bol, zes cent de Berliner bol, zes cent de Berliner bollebollebol, Berliner bol.’
Nooit heb ik zo’n bol gekregen. Het was me nogal geen kapitaal ook, zes cent. Maar ik heb er wel eens bij staan kijken, als hij een klant had. Dan schoof hij de brede riem over zijn nek en zette het glazen kastje voorzichtig op de grond. Het voorste ruitje kon omhoog en met een tang (de hygiëne was in opmars) haalde hij een bol te voorschijn. Een strooibus met suikerpoeder bezorgde de bol een kerstmisachtig wit laagje. Dan ging het ruitje weer dicht, het kastje werd weer omgehangen en daar wandelde hij weer in het midden van de straat, automatisch zijn melodietje zingend. Het verkeer, daar hoefde hij zich niets van aan te trekken, de doodenkele fiets laveerde wel om hem heen en een paardwagen hoorde hij vanzelf wel aankomen.
Hij was niet de enige, die het midden van de straat gebruikte om zingend aan de kost te komen. Ook het echtpaar met het (steeds wisselende) kindje op de arm zong. Het waren hartverscheurende liederen, die ze ten beste gaven, zoals van: ‘Moeder, ik kan je niet missen’ en ‘Aan de muur van ’t oude kerkhof’. De hele Transvaalbuurt was hun werkterrein, maar ze woonden bij ons in de straat, boven het pakhuis van Nieuwenhuis, de groenteboer. Een steile houten trap voerde naar het hok, waar ze woonden. Soms riep ze me wel eens boven. Dan mocht ik voor de vrouw een boodschap doen en kreeg dan een cent, die ik dankbaar aanvaardde. De vrees, die ik voelde om die donkere trap op te gaan, nam ik daarbij maar op de koop toe. Op warme zomeravonden, als de beide deuren boven het pakhuis waren opengezwaaid, de afsluitbalk als een de maatschappij beschuldigende vinger ver uitgestoken, dan hoorden we het echtpaar wel eens een nieuw lied instuderen. En weer was het zo’n klaaglied, dat op hun repertoire kwam. Maar wat wil je. Ze hadden heel wat af te klagen in hun omstandigheden. Van AOW, WW, WAO en alle andere sociale voorzieningen, die thans heel gewoon zijn, durfden ze zelfs niet te dromen.
De twee werkloze zangers waren van een heel ander slag. Het waren jonge knapen, ik denk van een jaar of 25. En we gingen ze al een eindweegs tegemoet, als we ze in de verte hoorden zingen. Dat was niet alleen om hun vrolijke liederen, maar in de hoop, dat we mochten ‘posten’. Ze hadden namelijk geen vergunning om in het openbaar hun kunst te brengen en er moest op gelet worden, dat Kouwenhoven of het ‘Kleurtje’ ze niet te pakken konden krijgen, want dat zou hun de hele verdienste van de lange dag gaan kosten. Dan mochten de jongetjes op de hoek van de straat gaan staan, op iedere hoek één en als ze de blinkende knopen zagen, moesten ze een seintje geven, zodat de beide zangers als onschuldige wandelaars hun werkterrein konden verleggen naar een heel andere wijk. De beloning was gesteld op één cent per oppasbeurt, maar meestal vergaten de kunstenaars deze beloning, zozeer gingen ze op in het vergaren van de uit de ramen geworpen salariëring voor hun vocale prestaties. En toch gingen we ze een volgende keer weer tegemoet, want we wilden hun liederen uit het hoofd leren.
Het was nogal niet prachtig, als je zo uit het hoofd het hele schone vers kon zingen van de Neef uit Canada, die vier meter lang was en twee meter dik. Of van Oma, die de Charleston danste, omdat ze ‘verkereld’ was. Pas veel, heel veel later heb ik begrepen, wat daarmee werd bedoeld. Oma had namelijk een jongenskop laten knippen en ze ging roken en ze fietste, dus ze was net een kerel geworden. ‘Oma is verkereld, in een verkeerde wereld.’
Nu realiseer ik me, dat er in die tijd alleen maar oma’s waren in de betere kringen. In onze klasse heette de moeder van je vader of moeder geen oma, maar opoe. Dus: Opoe was verkereld en niet oma.
Er woonden ook geen ‘mevrouwen’ bij ons in de buurt. Het waren allemaal juffrouwen, al waren ze meerdere malen getrouwd of getrouwd geweest, dat veranderde niets aan hun status. Ze waren juffrouw, meer niet. De mevrouwen woonden aan de Kleverparkweg of in het Kinheimpark of in Bloemendaal en Aerdenhout. Toch waren de vrouwen bij ons er wel iets op vooruit gegaan, want nog niet zo erg lang daarvoor heetten ze nog: ‘vrouw’. Vrouw Peters en vrouw Knies hadden sociale promotie gemaakt en heetten Juffrouw Peters en Juffrouw Knies. Behalve als er meningsverschil tussen de buren was gerezen, dan waren ze: Die van Hiernaast.
Waar was ik ook weer? O ja, de straatzangers. Zij zorgden voor onze vocale muzikale opleiding. De instrumentale educatie lag in handen van onder andere de ‘Moffen’. Met een corps van een man of zes kwamen ze met de regelmaat van de seizoenen onze buurt in, voorafgegaan door de wilde kreten: ‘Moedèèèr! De Moffen komen er an.’
Ze hadden lessenaartjes bij zich, die ze uitzetten in het midden van de straat en gedurende ongeveer tien minuten bliezen ze, dat het een lieve lust was. De straat liep uit, iedereen kwam naar buiten en luisterde naar de klarinetten en de tuba en de trompetten. Na het eerste nummer nam één van de trompettisten zijn instrument onder de arm en ging met zijn uniformpet rond. ‘Danke schön’, zei hij als hij iets kreeg. ‘Danke schön’, zeiden wij hem wekenlang na.
En hij kreeg veel, de financiële basis van onze straat in aanmerking genomen. Ja, voor echte kunst en het aanhoren van een echt concert had de buurt wel wat over. Ook al was het maar een concert van tien minuten. Maar wij, kinderen, genoten veel langer van hun muzikale gaven. Wij volgden ze straten ver en de dreunende slagen om onze kop namen we op als een premiebetaling voor het te laat thuis komen voor het eten.
En het draaiorgel was er ook nog. Dat was helemaal een belevenis. Iedere woensdag duwden de mannen het zware gevaarte de straat in. Zwaar hingen ze op de dikke houten duwboom om de driewielige kar vooruit te krijgen. In de bochten moest het kleine voorwiel van de grond komen en dan was het dubbel drukken geblazen, zeker als boven dat wiel een jongetje had plaats genomen, hetgeen meestal wel het geval was. Er moest altijd een gevecht worden geleverd wie deze ereplaats mocht bezetten, als het orgel de straat inkwam. De mannen bemoeiden zich nooit met deze strijd, ze lieten dat de jongens onderling uitknokken. Eén voorwaarde stelden ze slechts. Er mocht nooit meer dan één jongen op het kistje zitten, waar de geheimzinnige orgelboeken in lagen, de boeken van zwaar carton, vol met gaatjes, die door de orgeldraaier ergens in de ingewanden van het pierement werden gelegd en er voor zorgden, dat de orgelpijpen begonnen te zingen en de trommels gingen roffelen en de poppetjes aan de voorzijde met hun metalen hamertjes tegen de glimmende belletjes gingen slaan, zodat er een zilveren geluid uit kwam. En dat allemaal precies op de maat van de muziek. Onbegrijpelijk voor onze niet-technische ogen. Het draaien aan het grote wiel leek ook iets, dat je niet zo maar uit je mouw kon schudden. Daar was technisch gevoel voor nodig. Eerst met beide handen draaien aan het wel veertig centimeter lange handvat, dan met één hand, terwijl de andere slap langs het lichaam hing. Dan met de andere hand, de eerste arm langs het lichaam, terwijl je er voor moest zorgen, dat het ritme van de Schöne Blaue Donau niet werd verstoord. Maar het moeilijkste leek ons nog het ‘overhands’ draaien. Als de ene hand middels de slinger het wiel in beweging hield, moest je met je andere hand over je eerste hand heen de ijzeren rand van het wiel beetpakken en het zo een gelijkmatige beweging laten houden. Kenners hoorden direct als er een onervaren orgeldraaier aan het wiel stond.
Vreugde bracht het orgel in de straat. In de donkere tijden kwam het in de middag en terwijl de ene man concerteerde, liep de andere met het mansbakje langs de deuren en belde overal aan, waarbij hij de kreet uitte: ‘Asjeblief’. Bij de benedenhuizen gingen de deuren open en werd er wat in het bakje gedaan, bij de bovenhuizen gingen de ramen open en in een papiertje verpakt werd een cent, of twee cent en soms zelfs een halve stuiver naar beneden gegooid. Als de man bij onze winkel was aangekomen, dan deed hij de deur open en uitte zijn kreet: ‘Asjeblief’. Mijn vader was bedeeld met een bepaalde humor, die niet altijd even sympathiek maar wel erfelijk schijnt te zijn. Hij zat te werken met zijn rug naar de man en antwoordde strijk en zet: ‘Zet maar neer’. Hij keek daarbij niet om en de orgelman was schijnbaar nogal hardleers, want iedere week speelde zich hetzelfde toneel af. Hij herhaalde zijn kreet en mijn vader het antwoord. Eindelijk droop hij dan niet-begrijpend af, waarna wij hem achterna mochten met de reeds klaarliggende halve stuiver. Wij hadden lol gehad en daarvoor moest worden betaald, dat stond vast.
Als het zomer was, kwam het orgel later. De dagen waren langer, dus vanzelfsprekend de werkdagen ook. Als het avondeten op was en de boel opgeruimd, de als tafellaken fungerende oude kranten opgevouwen tot de volgende dag, dan kwam het de straat in en dan was het pas echt feest. Iedereen kwam naar buiten en de grotere meisjes waren het al straten ver tegemoet gegaan. Ze dansten om het pierement heen en de volwassenen deden vaak mee. Mijn moeder walste met buurman Peters en juffrouw Van Dok danste met haar zoon Wim en juffrouw Box, die vaak met ‘het blauwe wagentje’ naar Meer en Berg werd gebracht, was nog gekker dan ooit en danste en sprong net zo lang in het rond, tot haar man haar met een zoet lijntje weer naar binnen had kunnen loodsen.
Dan hadden we nog het mannetje op het stoeltje, een heel vreemd geval, als ik er nu nog op terugkijk. Het was een heel klein mannetje, dat als gevolg van de één of andere ziekte niet kon lopen. Hij zat met riemen vast aan een klein stoeltje, dat hij al schommelend op de voorpoten met zich mee sleepte. Als hij moe werd, ging hij gewoon zitten en hij miste de zitting nooit. Hij had een stok bij zich waaraan een haak zat aan de ene kant, dat was om vanaf zijn lage zetel aan de bel te kunnen trekken. Als hij de stok in zijn hand liet draaien, kwam er een klein zakje aan te bungelen, dat was om de centen in op te vangen. Hij verkocht een doosje lucifers. Nee, niet hij verkocht doosjes lucifers. Hij had er namelijk maar één, dat hij steeds weer te koop aanbood en na betaling weer zonder een woord te zeggen meenam. Zodoende bedelde hij niet en was dus niet strafbaar. Welnee, hij verkocht zijn waar langs de deur.
En de ongelukkige metselaar, dat was ook een bekende figuur in onze straat en zeker niet alleen daar, als ik de verhalen hoor uit Amsterdammer monden van die tijd. Hij bewoog zich voort in wat tegenwoordig een rolstoel wordt genoemd en op de maat van het voorttrekken van zijn stoel door zijn beide handen aan de wielen, zong hij: ‘Ongelukkige metselaaaaar, die zijn ruggegraat gebrooooooken heb, dertig jaren geweeeerkt, moet nou voor z’n kinderen zorreeeeegen.’
Wij hadden als kind niet zo erg veel medegevoel met de man die tijdens zijn werk was verongelukt en nu uit bedelen moest gaan. We zongen zijn melodie na, maar hadden daar andere woorden op gemaakt, zoals: ‘Omgelazerde metselaarsknul, die z’n karretje gestolen heb.’ Hij werd daar niet kwaad om maar ging gewoon door en was vriendelijk tegen ons, zodat de lol er heel gauw af was.
Dat nabauwen van roepende kooplieden, zangers of bedelaars was toch een geliefkoosde bezigheid van ons. Als ’s avonds tegen etenstijd de man met haring door de straat kwam, behoefde hij niet vaak zijn roep te laten horen, of wij namen het voor hem over: ‘Hollaaaaaandse Nieuwe’. Steriel schoon was zijn wagentje, kraakhelder de twee porceleinen emmers, waarin de haring lag te wachten op hapgrage monden. De porceleinen deksels glommen je tegen en in de knoppen van die deksels kon je jezelf terugzien als een klein, dik mannetje met heel korte kromme beentjes. De haringman woonde in de Javastraat en als we daar overdag wel eens langs kwamen, zag je hem steevast met zijn handwagentje bezig. Hij poetste altijd en net zo lang, tot alles blonk.
Het was nog een jonge man, ongeveer een jaar of vijfentwintig, denk ik. In zijn spierwitte korte jasje maakte hij op ons al een voorname indruk als hij zijn haring stond schoon te maken na een bestelling uit een van de huizen. Met een vlijmscherp mes werkte hij op een altijd schoon plankje. Eerst sneed hij het buikje van de haring en onze kleine grijpgage vingertjes gristen deze lekkernij vlak voor het mes weg. Dan sneed hij het ruggetje er af, maar dat werd door ons niet zo op prijs gesteld: het was te hard en er zaten te veel graatjes in. Na het villen werd de kop er af gesneden en ondanks het bedelende gemiauw van menige kat uit de buurt verdween die kop in het afvalemmertje, dat aan een haak naast de duwboom hing. En dan kwam het grote moment, dat de graat er uit werd gehaald. Hij kon die graat er zó uithalen, dat er geen greintje vis aan bleef zitten, maar als wij er bij stonden, mislukte die manipulatie wel eens, waarschijnlijk opzettelijk. En dan bleef er een behoorlijk stukje haring aan de graat hangen. ‘Hier,’ zei hij dan, ‘Kluif maar af.’ En zo kregen wij ook ons portie van de zoute lekkernij. Ik herinner me niet, dat we thuis ooit een haring hebben gegeten. Ik weet ook niet of haring wel kosjer is en of joden die mogen eten. Misschien was het alleen maar de gedachtengang van mijn ouders, die redeneerden: ‘We eten geen rauwe vis. We zijn geen reigers.’
Ze waren niet duur, die haringen. Voor een kwartje kreeg je er vijf op de Botermarkt op zaterdagavond. Maar een kwartje was toch ook nog een heleboel geld en daarom waren de haringen lang niet altijd onderdeel van het menu van arbeiderskinderen. Die aten spiering, waarmee de kooplieden in de straat kwamen met handwagens vol. Het was voor mijn moeder een heel karwei om die spiering gereed te maken voor de consumptie, want ieder visje werd tegen het licht gehouden en met een stopnaald werden de wormen er uit verwijderd, tot verbazing van de andere vrouwen uit de straat, die deze beestjes niet zo zagen zitten.
Dan hadden we nog de kooplieden met hun wagens vol met scholletjes, die ze uit IJmuiden hadden gehaald. ‘Ze leven nog’, riepen ze luid. En dat was waar. Een grote massa springende vis lag op hun karretje en als een koopster zich meldde, dan werd met de koperen schaal van de weegschaal een aantal scholletjes uit de grote hoop geschept. Zo’n schaal staat op het ogenblik bij Oma Wil in het raamkozijn en doet dienst als bloemenbak. Als ik er naar kijk, dan zie ik in gedachten de scholletjes nog springen, als ze uit die schaal terug sprongen tussen de lotgenootjes op de kar.
Het wegen gebeurde niet zo erg secuur. Er werd niet op een scholletje meer of minder gekeken, de zee leverde genoeg en zoveel bracht één zo’n visje nu ook weer niet op voor de koopman.
Als mijn moeder vis had gekocht, dan moesten wij met een kannetje naar juffrouw Soet in de Paul Krugerstraat om raapolie te halen om de vis in te bakken. Raapolie was veel goedkoper dan slaolie, dus die kwam in die tijd bij ons niet in huis. (Wel veel later, toen mijn moeder zelf pindakaas en ‘roomboter’ ging maken.) Mijn enthousiasme voor die gebakken vis is nooit zo erg groot geweest, ik had een vreselijke hekel aan die graatjes, die rechtop tussen je tanden bleven steken, vooral die kantgraatjes, die mij klaarblijkelijk de oorlog hadden verklaard. Maar opeten moest ik ze, dat wil zeggen ik moest ze afkluiven, want ze waren ook betaald. Als ik vis zonder graat wilde, dan moest ik me maar bepalen tot gebakken kwal, vond mijn vader dan.
De kooplieden van die tijd hadden niet veel onkosten voor het maken van reclame voor hun koopwaar. Ze hadden maar één reclamemiddel: de strot. En dan nog wel de strot, zoals ze die van moedertje natuur hadden meegekregen. Geen geknoei met versterkerinstallaties of belletjes of, zoals de ijsman hier in Willemstad, met een elektronisch versterkte speeldoos op een geluidsbandje. Niks daarvan, puur natuur: de strot. Maar dan wel een strot, die door dagelijkse oefening was geschoold en getraind. Stratenver kon je ze al horen aankomen, onafgebroken roepend, zingend of schreeuwend, al naar hun talent en mogelijkheden, aangepast aan datgene, wat ze aan te bieden hadden.
En toch waren er middenstanders, die al reclame konden betalen. Nee, geen spots op de TV. Welnee, mens, wat betekent ‘spots’ en wat heet TV? Nee, dat ging heel anders, gebruikmakend van de mogelijkheden, die er waren. En wat waren er in overvloed? Juist, werklozen, mensen, die dolgraag iets wilden doen, om een paar centen te verdienen en voor wie niets te dol was, als er maar brood in zat, brood in de letterlijke betekenis van het woord dan.
En zo verschenen er alle mogelijke vreemde figuren op de straat, in de eerste plaats de sandwichmannetjes. Tegenwoordig zie je ze nog wel eens, mensen, die aan hun voor- en achterkant een bord hebben hangen, waarop een boodschap te lezen staat. Nu zijn het meestal demonstranten, die voor een bepaalde gedachte opkomen en dat de mensen willen laten weten, idealisten, die er niet voor worden betaald. Maar de mannetjes, waarover ik het hier heb, waren geen idealisten. Het kon ze niet zoveel schelen of de mensheid overtuigd raakte van hun boodschap, dat C en A toch voordelig was (ja, toen ook al), ze liepen op hun afgetrapte schoenen de hele dag voor het station heen en weer. Of ze kwamen door de straten, soms alleen, maar vaak ook met meerderen. De boodschap, die ze overbrachten op de toeschouwers, was niet bepaald in overeenstemming met de gezichten, die uitstaken boven de borden, die ze droegen. Die gezichten stonden zorgelijk en verongelijkt. Ze voelden zich ‘genomen’ door de maatschappij (en terecht). Ze verstonden heel vaak een vak, maar ze hadden geen werk en liepen nu met ongeschoren gezichten reclame te maken voor bijvoorbeeld dure toiletzeep, die ze zelf niet konden betalen. Of voor de pas uitgevonden veiligheidsscheermesjes van Gilette, terwijl ze zelf maar eenmaal in de week naar de kapper gingen om zich te laten scheren. Dat wil je. De kapper was duur, rekende twaalf cent voor het scheren en daar kon je een liter melk voor kopen voor de kinderen. Het scheren met een groot scheermes was maar weinigen gegeven: veel te gevaarlijk. Je had in geen tijd een flinke jaap in je gezicht en deed daar dan een pleister op, zoals je tegelijkertijd barbier, slager en behanger was, zoals de lolbroeken opmerkten.
Degenen, die een baantje vonden als ‘verborgen sandwichman’, hadden minder last van onlustgevoelens. Je zag ze namelijk niet, ze liepen verscholen onder de reclame in de vorm van het aangeboden product. Een meer dan manshoge flacon Odol werd over hun hoofd neergelaten en door een paar kijkgaten konden ze zien, waar ze liepen. Maar ze werden zelf niet gezien en dat vonden ze wel prettig. Vijf, zes van die enorme flacons waggelden achter elkaar door de straten van de stad en het liefst in de ‘betere’ buurten, want de arbeiders hadden wel wat anders aan hun hoofd dan Odol in hun mond te spuiten als ze ’s morgens wakker werden. Ze vonden het niet zo belangrijk hoe hun adem rook, als ze maar konden blijven ademen.
Voor de jongere reclamemakers was het weggelegd om steltloper te worden. Hoe het precies in elkaar zat, weet ik nu nog niet, maar op de een of andere vernuftige manier waren deze jongemannen uitgegroeid tot enorme lange mensen, zó lang, dat ze, lopend op de straat, hun reclamepapiertjes konden afgeven aan de mensen in de bovenhuizen, die vanuit hun raam naar ze keken. Ze hadden broekspijpen van wel twee meter lang en aan de onderkant kon je hun houten stelten zien zitten. Met geweldige passen beenden ze door de straten en staken met twee stappen zo’n straat over of het niets was. Hoe de stelten waren bevestigd heb ik nooit kunnen ontdekken en evenmin hoe die knapen er op en er af kwamen. Maar een indrukwekkend gezicht was het voor ons, kleine kinderen, als op een zomeravond drie of vier van die reuzen de straat inkwamen. Het was een onderdeel van ons leven, het hoorde er bij, zoals alles, wat er in de straat of in de buurt gebeurde, er bij hoorde.
De man met de weegschaal hoorde er ook bij. Ook hij had zijn melodie en de bijbehorende tekst:
‘Stap op en laat je wegen,
Twee centen maar, dan ben je klaar.’
Het schijnt, dat er in die tijd ook al mensen waren, die op de hoogte wilden blijven van hun lichaamsgewicht. En omdat personenweegschalen niet tot die dingen behoorden, die je zo maar even ging kopen, zag deze man daar wel brood in. Hij sjouwde met zijn gietijzeren weegschaal langs de huizen. Een brede riem liep over zijn schouder en hield het zware ding in bedwang en als hij een klant had gevonden, dan zette hij kreunend zijn schaal op de grond. De klant stapte op de ijzeren plaat en trillend wees de grote, zwarte wijzer het aantal ponden aan, dat hem bedrukte. Op een afgescheurd stukje papier krabbelde de man dan met nagenoeg onleesbare cijfers het resultaat, hij ontving zijn twee centen en hees zijn vracht weer omhoog, waarna hij verder ging en al zingend de mensheid uitnodigde om zich te laten wegen.
En zo bewoog zich steeds een stoet van werkloze arbeiders langs de huizen van onze straat, van onze buurt en van onze stad. En niet alleen in onze stad, maar ook in alle andere steden van ons land en van veel andere landen. Dat was de goede oude tijd. En toch vraag ik me dikwijls af, of de mensen in de tegenwoordige tijd van welvaart gelukkiger zijn en meer tevreden. Maar daar ga ik niet verder op door, want ik wil alleen maar vertellen hoe het was en ik wil daar geen bespiegelende woorden aan wijden.
Wij waren gewend aan deze mensen en aan de manier, waarop ze hun brood poogden te verdienen. Het klonk ons niet vreemd in de oren, als we op de avond vóór Kerstmis de man hoorden roepen: ‘Haze en kenijnevelleeee!’ en we wisten dat hij de volgende morgen, in de vroege, koude ochtenduren van de Eerste Kerstdag weer langs zou komen en dat dan weer zijn roep gehoord zou worden als wij nog op bed lagen, omdat het nog lang geen daglicht was.
In een lange sliert hingen de verzamelde vellen dan langs zijn rug, aan een touw geregen, de bloederige vleeskant naar buiten en het deerde niemand, dat het een zeer onsmakelijk gezicht was: die man verdiende wat en als je het vies vond, nou, dan keek je maar niet.
Wat er met al die vellen gebeurde, dat weet ik niet. Ik heb me laten vertellen, dat er zeemlappen van werden gemaakt, maar ik ben daar niet zeker van. Werden het bontjes? Het kan zijn. Maar een feit: iedere Kerstmis, als de konijnen het feest van het licht met hun leven moesten betalen, dan kwam hij weer met zijn roep door de donkere en koude straten. Dat hoorde bij Kerstmis, dat hoorde bij die donkere dagen van de winter, als bij het melkwinkeltje van juffrouw Klaver op de hoek van de Kloosterstraat de gaslamp boven de toonbank al om half vier werd aangestoken en zijn lichtje weerspiegelde in de glazen stolp, waar de eieren op de kopers lagen te wachten. Die kopers kwamen echter niet zo snel opdagen, want een ei kostte altijd nog anderhalve cent en dat was te duur om zo maar uit te geven als er geen zieken in huis waren. Als ik dan voor mijn moeder naar juffrouw Klaver moest om een half ons roomboter te halen, omdat het per slot van rekening toch feestdagen waren, dan liet ik mijn beurt vaak voorbij gaan en liet anderen eerst hun boodschappen doen, omdat ik het zo gezellig vond in dat kleine knusse winkeltje met die suizende gaslamp en die kwetterende buurvrouwen, die allemaal een overvloed van vrije tijd schenen te hebben, want niemand had haast. In die tijd hoorde je ook niet zo veel van een hartinfarct als tegenwoordig. Als ik dan aan de beurt niet langer kon uitstellen, dan deed ik mijn bestelling en juffrouw Klaver informeerde eerst of ik geld bij me had of dat het moest worden ‘opgeschreven’. Dan nam ze een vetvrij papiertje, waarop op vier plaatsen was gedrukt ‘roomboter’ (dat moest van de wet) en met een houten, gekartelde spatel spitte ze in de grijze Keulse pot, waarop eveneens met blauwe letters stond ‘roomboter’ en zeer nauwkeurig werd dan het halve ons roomboter afgewogen en het papiertje werd dichtgevouwen met de liefde, waarop zo’n kostbaar product recht op had. Op Eerste Kerstdag kreeg ieder lid van het huisgezin een boterham met roomboter en dat moest dan het einde zijn van het halve ons zuivel, want veel meer dan zeven boterhammen besmeren behoorde niet tot de mogelijkheden van vijftig gram boter verdelen.
Van de kerstdagen herinner ik me, dat ze bij ons niet zo veel afweken van de gewone zondagen. Alleen zag mijn vader meestal wel kans om in Amsterdam een gans op de (weliswaar afgesneden) kop te tikken. Ik ben eens met hem mee geweest om zo’n gans te kopen. Voorop de fiets, op het plankje ging het naar Amsterdam. Het zal best koud zijn geweest, maar dat weet ik niet meer. Alleen weet ik nog, dat we in een straat kwamen in de buurt van het Waterlooplein of de Jodenbreestraat en dat daar hele ritsen ganzen aan de gevels hingen, helemaal bloot, er zat geen veertje meer aan, dus die zullen het zeker wel koud hebben gehad. Er moet ontzettend veel verschil zijn tussen ganzen en ganzen, want het duurde oneindig lang, vóórdat hij de gans had gevonden, die waard was om door ons te worden opgegeten ter ere van de herdenking van de geboorte van Christus, die per slot van rekening toch ook een jood was geweest.
En als dan, de avond vóór Kerstmis de gans was aangekomen in de Generaal de la Reystraat, dan begon de ceremonie van het schoonmaken. Zoals ik al zei, veren zaten er niet aan. Die waren er door de ganzenverkoper al afgeplukt, want daar werd goed geld voor gemaakt als ze werden verkocht aan de fabrikanten van veren bedden en kussens. Maar verder was er niets aan gebeurd. Het schoonmaken en het ontdoen van ingewanden en organen was een taak voor de koper. Mijn moeder legde kranten op de tafel en het minismesje (een doodgewoon aardappelmesje, dat alleen nog de joodse naam droeg, maar verder niets met de kosjere keuken te maken had) werd tegen de stenen van de gevel in de tuin vlijmscherp geslepen. De gans werd op de tafel gelegd en wij stonden er met ons allen omheen, als ze het beest, beginnend bij de ‘oorslog’ begon te ontleden. We weken niet van de tafel, ook niet als ze met haar volle hand verdween in het inwendige van de gans en er hele slierten darmen te voorschijn kwamen. Dan knepen we onze neuzen wel dicht en trokken lelijke gezichten, maar we bleven op onze plaatsen en lieten niets van de voorstelling voorbij gaan. Zo stonden we er ook op te kijken, toen mijn moeder eens haar hand gemeen openhaalde aan een beentje, dat daar ergens binnenin heeft gezeten en er ook wel zal hebben behoren te zitten. We keken toe, als ze de maag opensneed en ons wees op de etensresten, die daar in zaten. Met een grote zorgvuldigheid werd de galblaas van de lever gescheiden, want als de inhoud van die blaas door de lever kwam, dan kon die niet meer gebruikt worden. De kop, waarvan de levering bij de koop was bedongen, werd in tweeën gehakt en van het vel ontdaan. Zo was hij goed bruikbaar voor in de soep, evenals de poten, de maag, de lever en het hart.
In latere jaren kwam de kerstgans niet meer uit Amsterdam maar uit onze eigen tuin, waar ze, ingeruild voor sigaren, als ganzekuikens aankwamen in het voorjaar en door buurman Peters werden geslacht als ze slachtsrijp waren.
Ook in de andere huizen van de straat was het de vooravond vóór Kerstmis, maar niet overal werden de voorbereidingen voor het feest op dezelfde wijze getroffen. Bij sommige buren kwamen de kaarten op tafel en werd er gekaart tot het tijd werd voor het ‘kindje-wiegen’, dat wil zeggen tot de Kerstmis begon. Ik bedoel de mis, die de inleiding tot Kerstmis was. Dan gingen ze met hun allen naar de kerk en als ze terugkwamen, werden de kaarten weer opgeraapt van de tafel, waar ze waren blijven liggen in afwachting van de terugkeer van de kerkgangers. Tot in de vroege morgen ging het spel dan door en dan kropen de mannen in de bedstee om door te slapen tot in de middag van de extra vrije dag, die de geboorte van de Heer ze had bezorgd. Het enige dat ze daaraan herinnerde, was bij de rijkaards in de buurt het draaien van de grammofoonplaat ‘Stille nacht, heilige nacht’ op 78 toeren. Stil was de nacht zeker niet geweest en bepaald heilig ook niet, want het kaartspel kan soms knap opwindend zijn.
Bij de familie Braakman was een kersttafel ingericht, daar was de moeder dan ook een Engelse voor. Maar omdat ze niet religieus waren, was er geen stalletje, maar werd er de speelgoedtrein op uitgestald. Dat was prachtig. Een heuse stoomlocomotief, die met water gevuld moest worden. Dat water werd dan verwarmd met een gloeiende eierkool uit de kachel. Hij kon echt rijden en onder toezicht van kostganger Dirk gebeurde dat dan ook een enkele keer. We keken gefascineerd naar het wonder, zoals dat voortgleed over de met kunstsneeuw bestooide spiegel met hier en daar een klein bruggetje. En we spraken vol bewondering over de stoomtrein van onze vriendjes. Maar als we ruzie met ze hadden, wat echt wel eens gebeurde, dan liepen we langs hun huis en schreeuwden: ‘Hoeooot, Ellefie, kom je buiten spelen met je kromme locomotieffie zonder wieletjes!’, wat toch eigenlijk wel een uiting van jaloezie geweest moet zijn.
Verder was er niet veel verschil tussen de Kerstdagen en de gewone zondagen. We waren vrij van de dag vóór Kerstmis tot ongeveer 10 januari en bij goed weer speelden we in de straat en als het erg hard regende, waren we binnen. We kienden met elkaar en soms met de ouderen, als die daar tijd voor konden vinden.
Zo’n kienspel bestond uit kartonnen kaartjes in de vorm van het tegenwoordige bingospel. Ronde dopjes van ongeveer 1 cm in doorsnee lagen in het bijbehorende zakje. Op deze dopjes stond in rode cijfers het nummer aangegeven en rondom dat cijfer was een rode cirkel gedrukt. Het dopje was uiteraard van hout. Als een nummer werd afgeroepen, dat op jouw kaartje stond, dan nam je een vierkant stukje glas van ook ongeveer een vierkante centimeter en bedekte daarmee het betreffende nummer. Precies als bij bingo dus, alleen het materiaal was van karton, hout en glas en prijzen waren er niet voor de winnaar aan verbonden.
Na de Kerstdagen kwam, evenals tegenwoordig, Oudejaarsavond. Dan werden er oliebollen gebakken en mijn moeder maakte een melkkoker vol chocolademelk. De kinderen mochten dan opblijven tot twaalf uur en meedoen aan een oneindig spelletje eenendertigen of ganzeborden. Het eeuwige probleem was dan om tegen twaalf uur precies te weten hoe laat het was. ’s Middags, vóórdat het donker was, gingen we dan naar de hoek van de straat en konden dan op de toren van de Julianakerk in de Kloosterstraat zien hoe laat de klok aanwees. We holden dan weer naar huis en vergeleken de tijd met onze kamerklok. Maar ’s avonds bleek dat toch niet afdoende te zijn geweest en het jaarlijkse twistgesprek begon zo omstreeks kwart voor twaalf toch weer. Om de beurt liepen we dan de straat op om te horen of de ‘fluiten’ al gingen. Dat gebeurde precies om twaalf uur en dan wisten we, dat het nieuwe jaar was begonnen, ook al hadden we geen radio of televisie om de tijd te controleren. De locomotieven op het station bliezen hun stoomketels leeg en de stoomfluiten van de fabrieken bliezen hun partij mee in het Nieuwjaarsconcert van de arme luiden.
Dan gingen alle deuren in de straat open en iedereen kwam naar buiten. De grote jongens, zoals Dries Vermaren en Janus IJskoud hadden zo’n stuk of vijf knalkurken gekocht en die werden dan onder algemene belangstelling afgeschoten, een doodenkele vuurpijl sneed door de lucht, iedereen wenste iedereen een gelukkig nieuwjaar en dat was het dan. Om kwart over twaalf ging overal de gaslamp weer uit en na de Nieuwjaarsdag, die zich in niets onderscheidde van een normale zondag, nam het leven weer zijn normale loop.
Onze kerstvacanties verschilden in zoverre met onze zomervacanties, dat we ze meer binnenshuis doorbrachten. In de winter was het niet zo aantrekkelijk buiten, vooral als het regende en onze schoenen gaten vertoonden in de zolen. ’s Zomers was het allemaal veel prettiger buiten, dan was er veel meer te beleven. Als het kersentijd was, dan zochten we kersepitten langs de straat. En er lagen er heel veel. Kersen werden vaak op straat gegeten en de pitten werden gewoon uitgespuwd. Niet speciaal voor ons, kinderen, maar we trokken er wel profijt van. Speurend liepen we door de goten, gewapend met een katoenen zakje om de buit in te verzamelen. Als we een behoorlijke voorraad hadden, dan werden ze gewassen en dan begon het ‘berregie schieten’. Vier kersepitten werden tegen elkaar aan gelegd, een vijfde er boven op. De tegenstander nam op een afstand van ongeveer vier meter een kersenpit tussen duim en middelvinger en probeerde het bergje omver te schieten. Als hem dat lukte, dan was de berg voor hem, maar alle blindgangers waren voor de ‘berregiesbouwer’. En zo groeide het bezit aan kersepitten steeds aan als je won; verloor je echter, dan moest je opnieuw op speurtocht in de hoop je verlies weer te kunnen aanzuiveren.
De geduldigen onder ons maakten een fluitje van een kersenpit. Een tijdrovende bezigheid, want die pitjes waren wel klein, maar zo hard als een steen. Met de pit tegen je vingers geklemd liep je langs de muur van de roomse school en je sleep tegen die muur eerst een vlakke kant aan de pit en als je door ging, kwam er eindelijk een gaatje. Met een speld kon je dan het zachte gedeelte uit de pit peuteren en dan was je fluitje klaar. Tussen de twee eerste kootjes van wijs- en middelvinger geklemd maakte het een heel hoog fluitend geluid als je er overheen blies, je mond tegen de kootjes geperst. Als je pech had, dan deed-ie het niet en kon de procedure weer helemaal opnieuw beginnen. Maar ja, de vacantie moest toch om en zo hadden we ten minste wat te doen.
Het grootste feest in de zomervacantie was wel, als het erg warm was geweest, de verschijning van de sproeiwagen in de straat. Twee paarden liepen er voor en er zat een man van de gemeente op de bok. Het was een lange, platte wagen met een grote cilindervormige tank er op. De vulslangen hingen er aan haken naast. Aan beide zijden zaten twee sproeiers en door de druk uit de tank werd het water ver weg gespoten tot aan de voordeuren ter weerszijden van de straat. We vonden het schitterend om door de frisse straal water heen te lopen en het was nog mooier, als de lege tank moest worden gevuld. Dan kwam de man van de bok af en met een haak maakte hij het putje van de brandkraan open onder het toeziend oog van alle kinderen uit de straat. Met een lange sleutel draaide hij een kraan open in de ingewanden van dat putje. Maar eerst had hij er een brandweerkraan op gedraaid. Als dan het eerste water met een forse straal naar buiten kwam, dan zag dat bruin van de roest uit de buizen. Daarom liet hij dat eerst in de goot lopen, wat voor ons natuurlijk een prachtige gelegenheid was om er met onze, veelal kapotte schoenen in te gaan lopen. De klinkende slagen om onze koppies, die we daar thuis voor opliepen, beschouwden we als een premie, die we moesten betalen voor ons plezier om tot over onze enkels in het drabbige water te kunnen banjeren.
Als het water schoon geworden was, werd de tank gevuld en daar ging het weer op de stoffige straten af. Stoffig waren die straten wel, als het heet was. Maar smerig waren ze niet. Tweemaal in de week kwamen de mensen van de gemeente met hun lange bezems van twijgen de straat aanvegen. En dan lag er geen vuiltje meer op de grond. Er werd waarschijnlijk ook minder op straat neergegooid dan tegenwoordig. Er waren geen patat-zakjes (we wisten niet eens, dat er landen waren, waar die bestonden), in de hele straat was maar één hond en de niet opgeveegde restanten paardenvijgen mochten geen naam hebben.
Hij was dus alleen maar voor de afkoeling en de opfrissing die sproeiwagen en naar wij dachten, ook voor het vermaak van ons, kinderen. En beide taken vervulde hij tot aller tevredenheid.
Zo pratend over datgene, wat zich zoal bij ons in de straat afspeelde, vind ik, dat ik deze brief maar eens moest besluiten. Hij is lang genoeg geworden en mocht me nog iets te binnen schieten, wat eigenlijk hierbij hoort, welnu, dan verleng ik hem nog wel een stukje.