In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 8: ZES DAGEN ZULT GIJ WERKEN….
Ja, zo heeft Mozes zijn volk bevolen: Zes dagen zult gij werken en de zevende dag zult gij rusten. Nou, daar is bij ons niet zo veel van terechtgekomen. Dat van die zes dagen, dat klopte meestal wel, maar die rustdag schoot er wel eens bij in. Dat kwam, omdat Mozes er geen rekening mee had gehouden, dat er wel eens joodse mensen terecht zouden kunnen komen temidden van niet-joden, dus van mensen, die ook wel uitgingen van die zevende dag als rustdag, maar die gewoon waren om de week te laten beginnen op een andere dag. Dat was voor ons dus de zaterdag die bewuste rustdag, voor hen was het de zondag, die ze als de zevende dag beschouwden.
Omdat wij het niet konden waarmaken om op zaterdag niet gewoon mee te doen aan het maatschappelijke en sociale gebeuren, werd bij ons geen Sabbath gevierd, maar deden we mee met de anderen. Wij gingen gewoon naar school en er werd gewerkt als op een normale werkdag. Maar de zondag: daar zat brood in. Als de anderen zondag vierden, hoefden wij dat niet te doen, wij hadden immers de Sabbath? Bovendien moesten wij op zondagmorgen naar Joodse School in de Lange Wijngaardstraat.
Als we dit heiligdom betraden, dienden we dat te doen met gedekt hoofd, zoals het behoort in een synagoge en in alle lokalen, waar de joodse godsdienst wordt onderwezen of waar wordt gebeden. Dus moesten we onze pet ophouden. En dat was een klein probleempje, want we hadden met ons drieën maar twee petten. Gelukkig was Joop een stuk ouder dan wij en meneer Petzon, die godsdienstonderwijs gaf en voorzanger was en slager onder rabbinaal toezicht en bijstand verleende bij besnijdenissen en die in de ‘Sjoel’ bij voorkomende gelegenheden op de ramshoorn blies, meneer Petzon dus, kon het niet aan om al die joodse jongetjes tegelijk les te geven. Hij had de schare in tweeën verdeeld en Joop was bij de eerste groep. Als het onze beurt was, dan wachtten we Joop op in de Smedestraat en Herman kreeg dan de pet van Joop, zodat we precies volgens de regels van het heilig wetboek het schoollokaal betraden, zij het, dat we altijd te laat waren. Nooit heeft Petzon er iets van gezegd. Ik denk, dat hij de iets te grote pet van Herman wel herkende als het hoofddeksel, waar hij de vorige lesuren ook tegenaan had gekeken. En het zal hem zeker wel duidelijk zijn geworden die zondag, dat Joop zijn pet was kwijtgeraakt en het keppeltje van Petzon mocht lenen. Toen Herman daarna ook zonder pet binnenkwam en direct om het keppeltje vroeg, moet hij het zeker hebben begrepen. Maar in zijn wijsheid heeft hij nooit iets gezegd.
De Sabbath werd bij ons dus evenmin gevierd als de zondag. Op zondag ging mijn vader meestal naar Amsterdam om tabak te kopen. De joodse zaken, waar hij moest zijn, waren immers open. En ons winkeltje was ook open voor klanten, die op zaterdag geen sigaren genoeg hadden ingeslagen of te veel hadden gerookt.
Ik herinner me, dat ik eens met hem mee mocht. Ik zal een jaar of vijf, zes zijn geweest. Vóór op het sigarenplankje zat ik, vóór op de fiets, van Schoten naar Amsterdam, over de Amsterdamsevaart, een landelijke weg, met twee rijen bomen en de trein aan de ene kant van het water en de tram aan de andere kant. Thans is deze weg een autosnelweg, aangeduid als A5, vangrails aan iedere kant van de weg en in het midden en verboden voor langzaam verkeer.
Door de Amsterdamse Poort moesten we, daar ging al het verkeer door, behalve de tram, die van Zandvoort via de Tempelierstraat in Haarlem naar het Spui in Amsterdam reed. Bij de Amsterdamse Poort werd die tram over de Herensingel geleid, buiten de poort om. Er lagen alleen maar rails over het water, ander verkeer kon er dus niet over, nee, alles moest door de poort. Maar ach, zoveel was dat ook niet. Wat paardewagens en wat fietsen, voor de rest wandelaars, soms met een handwagen of een kruiwagen, maar dan had je het wel gehad ook.
En dan de zeventien kilometer naar Amsterdam. Via de Haarlemmerweg en Haarlemmerdijk naar het Centrum en dan naar de Jodenhoek, waar hij moest zijn.
Je zult begrepen hebben, dat deze hoek zijn naam te danken had aan de godsdienst, maar meer nog aan het ras van de bevolking van deze buurt van Amsterdam. Het was daar oergezellig vóór de oorlog. Een drukte van belang en het Waterlooplein was nog groot, er liep nog geen ondergrondse onderdoor. Er waren stalletjes met van alles en nog wat. Er stond een vrouwtje gekookte eieren te verkopen. Ze pelde de eieren voor je, met de achterkant van een theelepeltje en in een razend tempo. Vóór je tot tien kon tellen, had ze een ei van de schaal ontdaan en voor een cent had je dan zo’n gekookt ei, warm en wel.
Hete soges verkochten ze daar, een soort erwt, die ik nu nog niet kan thuisbrengen, vuil-wit waren ze en zwommen in een vocht, dat ze ‘brie’ noemden. Mijn vader heeft het verhaal verteld van de jongen met de ‘parg’, een zogenaamde kletskop, een gevolg van de bar slechte hygiënische toestanden, waaronder de mensen in die tijd en in die buurt leefden en die vaak oorzaak was van grote, smerige zweren, vooral op het hoofd. Die jongen had dus een parg en over die parg droeg hij een pet. Toen hij hete sogus wilde hebben, wilde de koopvrouw hem die niet geven in de voor dit doel aanwezige kom, hoewel deze toch ook niet al te proper was, maar dat was zelfs haar te gek. ‘Doe het maar in me pet’, moet die jongen toen hebben gezegd. En dat deed ze. Toen vroeg de jongen om meer brie, maar toen dat na herhaald aandringen toch werd geweigerd sprak hij de woorden, die bij ons thuis te pas en te onpas werden uitgesproken: ‘Kein brie, kein bonen!’ en de bonen verhuisden van de pet weer in de pot, tot ontsteltenis van de koopvrouw. Of deze geschiedenis echt is gebeurd, ik weet het niet, maar het zou kunnen. Lollig is het in elk geval wel. Twee cent kostte een kom hete sogus.
Er stond een mannetje, die op een kolenvuurtje kastanjes pofte. Dat rook lekker en het smaakte ook goed. ‘Hete kesjtenge! Hete kesjtenge!’
‘Lus-je een stuk lever?’, vroeg mijn vader. Ik zei, dat ik dat wel lustte, hoewel ik geen idee had, wat ik zou krijgen. Bij de lever-man stond een grote glazen stolp, bruin vocht zat er in en daarin dreven de stukken lever, zo groot als een flinke mannenvuist. Met zijn hand haalde de man er een stuk uit, doopte het in een pot met zout en voor drie cent kocht mijn vader het voor me. Het was droog en ik vond het niet lekker, maar at het toch op, want ik had gezegd, dat ik het wel lustte en terugkomen op een genomen besluit ging me ook toen al zeer moeilijk af.
Er stonden kramen met vis, veel kramen in lange rijen. En met veel vis, vooral veel soorten vis. Erg vers waren de vissen niet altijd en dan werden ze een beetje slap. Maar de visverkopers hadden daar wel een handigheidje op. Met een rietje bliezen ze de vissen weer op, zodat ze weer bol werden en er goed uit gingen zien. Maar de jiddische vrouwtjes waren ook niet van gister en ze hadden een stopnaald bij zich en prikten in de vis, zodat die leegliep als een luchtballon, tot verontwaardiging van de visverkoper. Erg hoog liep de woordenwisseling meestal niet op, want het opblazen van de vis was streng verboden, dus al te veel eilie kon de verkoper niet maken.
En de man met zuur stond er. De man, van wie het verhaal ging, dat hij de zure augurken uit de pot haalde met zijn mouw tot over de elleboog opgestroopt en met zijn blote arm keer op keer goed roerend in de pot met zuur, omdat dat zo goed was voor zijn eczeem.
Bij de joodse slager ging mijn vader hartlapjes halen en kopvlees. Dat was voor ons een lekkernij, die we niet elke week kregen, alleen, als het met de sigarenverkoop een beetje wilde lopen. Tegenwoordig halen de honden er hun neus voor op, die willen Catty en hapklare brokken, waarvan alleen het vervoer van de fabriek naar de winkel per jaar ƒ 6.000.000 = zes millioen gulden kost.
En het lekkerste van het lekkere kocht hij ook wel eens: maag. Als mijn moeder dat klaar maakte, stond de pan op het fornuis in de keuken en wij konden er niet afblijven, we konden niet wachten tot de pan op tafel stond en het smullen kon beginnen. Nee, we liepen vaak langs het fornuis en we brandden onze vingers bij het uit de pan pikken van de ‘dikke stukkies’.
Tegen de middag zat ik weer op het sigarenplankje en gingen we weer naar huis. ‘Niet naar de grond kijken’, zei mijn vader dan, ‘Anders word je duizelig en val je er af.’ Als we de rails overstaken van het Haarlemmermeerlijntje, het treintje, dat van Haarlem door de Haarlemmermeer naar Aalsmeer en Uithoorn liep, dan waren we haast weer thuis. Ik kon dan de rest van de zondag gebruiken om mijn vriendjes te vertellen van mijn reis naar Amsterdam, hetgeen deze lieden groen van jaloezie maakte, want zoiets overkwam niet iedereen.
Eén keer ben ik met mijn vader naar Amsterdam geweest met de trein. Het was winter en koud, dat weet ik nog. Van de reis zelf is mij niets bijgebleven, alleen het aankomen van de trein op het perron van Haarlem en het instappen hebben op mij veel indruk gemaakt. De trein kwam waarschijnlijk uit Rotterdam en misschien nog wel verder weg. Toen hij het perron naderde, moest ik mijn handen uit mijn jaszak halen. Daar had ik ze diep ingestopt, omdat het zo koud was. Maar dat jasje was misschien gekrompen of, en dat klinkt waarschijnlijker, ik was wat gegroeid en mijn jas was niet op het juiste ogenblik door geldgebrek vervangen door een wat groter exemplaar. Omdat Joop nog geen nieuwe kon krijgen, kon Herman de jas van Joop nog niet aan en ik dus de jas van Herman nog niet en daarom kon ik mijn handen niet uit mijn zakken krijgen toen de trein aankwam. Terwijl de locomotief blazend tot stilstand kwam, stond mijn vader aan mijn handen te sjorren. Die moesten uit de zakken komen, anders kon ik de trap van de trein niet op klauteren. Dit alles werd muzikaal begeleid door het piepen van de remmen van de trein en het vloeken van mijn vader en het huilen van mij.
Toen de trein stilstond, waren mijn handen werkelijk bevrijd. Nog zie ik die lange trein daar staan. Duizenden deuren gingen tegelijk open en overal kwamen mensen uit. Zo waren de treinen in die tijd. Iedere coupé had zijn eigen deur en aan iedere zijde van die deur was een raampje. Vanaf de deur, waardoor je binnen kwam, was een smal looppad naar de deur aan de andere kant van de coupé. Als je daar uit zou gaan, kwam je via een trapje tussen de rails terecht. De spoormensen noemden dat de ballast. Aan weerszijden van het looppad stonden houten banken, die plaats gaven aan, ik denk vijf mensen. Verbinding met de andere coupé’s was er niet en dat gaf op een verre reis natuurlijk wel eens problemen, als iemand erg nodig naar de wc moest. Maar ja, dat hoorde nu eenmaal bij het reizen, dat gaf ongemakken en dat wist je, vóórdat je op reis ging.
Het raampje in de deur kon open. Er zat een brede leren riem aan en daarin zaten gaten in de vorm van een sleutelgat. Als je aan die riem trok, ging het raampje een klein stukje omhoog. Je kon het dan even naar je toe trekken en dan laten zakken. Aan de deur zat een grote koperen knop en de gaten in de riem pasten daaromheen, zodat je het raam op verschillende standen kon openzetten.
Mensen, die graag met z’n drieën of vieren een hele coupé voor zichzelf wilden houden, gingen bij de raampjes zitten en voor het raampje in de deur staan, zodat nieuwe reizigers niet zo goed naar binnen konden kijken en dachten, dat de coupé vol was. Dan liepen ze haastig door tot ze een coupé vonden, die schijnbaar meer plaats bood. Als ze die nog niet hadden gevonden, als de locomotief floot en zich puffend in beweging zette, dan stapten ze op het trapje van de rijdende trein en daarvandaan op de treeplank die langs de hele trein liep en zochten zo lang, tot ze een plaatsje hadden gevonden.
Van die ochtend herinner ik me alleen nog maar, dat we een nagenoeg lege coupé hadden. Er lag een soldaat languit op de ene bank, zijn schoenen had hij uitgetrokken en hij sliep. De andere bank namen wij in beslag.
Zes dagen zult gij werken en de zevende dag zult gij rusten, zo moest het van Mozes. Een heel klein beetje werd er wel rekening mee gehouden als het zondag was. Er werd dan niet gestript en er werden geen sigaren gemaakt. Als mijn vader terug was uit Amsterdam, dan werden de kippen verzorgd en de ganzen en de geit, die we ook nog hebben gehad. Die stond in een heel klein hokje naast de schuur. Frits de Kuster, die slager was, heeft haar geslacht toen de nood daarom eens vroeg.
Op zondag werd er ook niet ‘gedroogd’. Dat drogen was een onderdeel van de sigarenfabricage en als ik er nu op terugkijk, was dat een levensgevaarlijke situatie voor het hele gezin. Je moet je eens voorstellen: Als je door de winkel binnenkwam, kwam je in de gang, ongeveer een meter breed. Rechts een blinde muur, daarachter zat de alkoof. Aan de linkerkant waren de twee openslaande deuren van de bedstee, waar Herman en ik sliepen. Dan kwam de plee, zodat we in bed precies konden volgen, wat daar voor geluiden werden geproduceerd. Dan kwam de keuken, met links vooraan het fornuis, waar hout in werd gestookt en cokes, een afvalproduct van de gasfabriek. Naast het fornuis was op ooghoogte een glazen kast, dat wil zeggen een kast met twee openslaande deurtjes waarin ruitjes zaten. Dan kwam de gootsteen met de kraan (we hadden al waterleiding), de enige plaats in huis, waar water was. En onder de glazen kast werden de sigaren gedroogd.
Tabak kan je niet verwerken, als het droog is en daarom werd het voor de bewerking ingevocht. Het binnengoed werd besproeid met een in een emmer water gedoopte stoffer, maar het dekblad kreeg een persoonlijker behandeling. Mijn vader had een emaille kroes, gevuld met water. Hij nam dan een mondvol en blies het dan over de tabak, zijn hoofd van links naar rechts schuddend, zodat elk blaadje zijn deel kreeg.
Als de sigaren klaar waren, waren ze dus vochtig en dat mocht niet, want dan brandden ze niet goed. Mijn moeder pakte ze dan in de kistjes, honderd sigaren in elk kistje: eerst een rijtje van dertien, dan twaalf, dan weer dertien, enzovoort. Als de kistjes waren gevuld, werden ze eerst onder de pers gezet en dan gingen ze in de ‘oven’ om te drogen. Die oven, daar gaat het mij om. Die was dus onder de glazen kast, een ruimte, bestemd om turf op te slaan, anderhalve meter breed en aan de voorzijde van onderen afgesloten en met een klep daarboven, die met een knop kon worden afgesloten. Die klep was zowat zestig centimeter hoog, zodat je net met je hoofd in de oven kon komen. En daarin brandde vuur. Op een paar niet zo erg solide bevestigde ijzeren stangen stonden de kistjes sigaren dan te drogen van vrijdagavond tot zondagmiddag. Af en toe dook mijn vader met zijn hoofd in de oven, haalde er een kistje uit en rammelde er mee. Zijn vakmansoor kon dan aan het geluid horen hoe ver het droogproces was gevorderd.
Op vrijdagmiddag moesten we briketten halen, vierkante blokken geperste koolstof, door gleuven in vieren gedeeld en met een gaatje in ieder deel. Op die gleuven lieten de briketten zich gemakkelijk breken, hetgeen mijn vader deed met het nodige ceremonieel. Met stukken krant werden ze in de oven aan het gloeien gebracht, de klep werd gesloten en door gebrek aan zuurstof bleven ze gloeien en gingen ze niet te hard branden. Zo lag die brandhaard daar te smeulen, twee nachten lang en bijna twee etmalen. En wij maar rustig slapen. Een brandweerman van deze tijd zou op slag grijze haren krijgen, als hij een dergelijke situatie thans zou tegenkomen.
Die zondagmiddagen, die waren voor ons. We mochten dan buiten spelen en dat deden we dan ook. Toen mijn ouders een rijke periode hadden, hebben we een trekwagen gekregen, die we tot de draad hebben opgereden. Ik werd rondgereden door Jan en Dirk Rensenbrink in de kruiwagen, die hun vader voor ze had gemaakt. Toen ik vele jaren later met Jan Rensenbrink kwam samen te werken bij Rijkswaterstaat in Den Haag, kon hij zich dat nog goed herinneren.
Toen we wat groter werden, gingen we wandelen met vriendjes uit de buurt. We gingen naar de uitgang van het station en stonden daar uren bij de controleurs, die de kaartjes van de aankomende reizigers in ontvangst namen. We deden dan net of we op iemand stonden te wachten. Ook stond ik vaak bij Jamin in de winkel, vlak naast de kassa. Als een klant dan moest betalen, drukte de winkeljuffrouw de knoppen in, die het te betalen bedrag aangaven en als ze ‘Ja’ zei, mocht ik draaien, eerst een stukje terug en dan vooruit. Eigenlijk precies andersom, want ik stond aan de klantenkant van de toonbank. Als ik wegging, kreeg ik een zak koekkruimels van haar en dat was niet gering. Daar moest een ander vijf cent voor betalen en ik kreeg het voor niks. En grote stukken, die ze erin liet zitten! Ik was een rijkaard tot en met.
Drie centen zakgeld kregen we iedere zondagmiddag, tenminste, als er geld was, anders zei mijn moeder: ‘Volgende week dubbel’ en dan wisten wij wel hoe laat het was. Van dat dubbele zou niets komen, zover waren we wel gevorderd in de huishoudeconomie van huize Cohen Rodrigues.
Met die drie cent holden we naar Terpoorten, het snoepwinkeltje, verderop in de straat en we kochten een nogabrok of drie koningsbroodjes of een speklap. Ook had de oude baas gekleurde brilletjes van suikergoed. Die kon je eerst een poosje op je neus zetten en pas later at je ze op. Dan deed je lang met je drie centen. Eén keer heb ik een ons kesaussies gekocht. Wat kesaussies zijn? Nou, gewoon pinda’s. Daar heb ik spijt van gekregen, want die hadden we thuis ook wel eens, zodat het gevoel van iets buitengewoons te hebben, uitbleef. Ik heb dat nooit meer gedaan.
Ik herinner me, dat we een keer met ons vieren naar de speeltuin mochten, een hele belevenis. Die speeltuin was bij de Lighal in Oud-Schoten, ergens aan de Rijksstraatweg, vlak bij de Jan Gijzenvaart. Er stond een schommel en een wip en er was een draaimolen. Dat was alles. Maar wij waren niet erg verwend en het bezoek aan die tuin is mij mijn hele leven bijgebleven. De toegangsprijs was een dubbeltje, voorwaar niet niks, als je daar zomaar vier kinderen heenstuurde, dan behoorde je zachtjesaan bij de bezittende klasse. Voor het bezoek aan die sprookjestuin moesten we wel een halfuur lopen, misschien wel langer. En terug was het schijnbaar nog langer. Het kan ook zijn, natuurlijk, dat we langzamer liepen, dan toen de speeltuin ons lokte.
De zondagmiddagen, ja, dat was het helemaal voor ons. We waren dan vrij om te doen, waar we zin in hadden. En dat was niet weinig. We hoefden niet in de Radiogids te zien, wat de televisie of de radio ons zouden brengen, want er was geen radio en er was geen televisie. We zochten ons vertier op de straat met de vriendjes. En vertier was er genoeg. We gingen gewoon op avontuur uit.
Op de hoek van de Schoterweg en de Pijnboomstraat stond een leeg huis. Het stond eigenlijk op het terrein van het kerkhof en misschien hoorde het daar wel bij. Het was erg groot en stond in die tijd nog helemaal alleen. De ruiten waren eruit en de deur was gemakkelijk open te maken, zoals we al gauw hadden ontdekt. Beneden was niet veel te beleven, maar boven was een zolder, die ons onweerstaanbaar aantrok, omdat daar van alles te vinden was. Er lagen veel oude spullen, maar bovenal lagen er boekjes van allerlei soort. In de schemerige omgeving lagen we daar op de smerige vloer alles te lezen, wat we vonden. Ik denk, dat het ons alleen maar te doen was om het avontuurlijke van deze tochten, want ik weet beslist niet meer, wat we daar allemaal hebben gelezen. Niets daarvan is me bijgebleven. Wel weet ik, dat we iedere zondagmiddag weer eerst doken in de oude troep, die er lag. Tientallen malen hebben we de zaak van de ene hoek naar de andere verplaatst in de hoop iets van onze gading te kunnen vinden.
Toch zijn onze bezoeken niet onopgemerkt gebleven, want op een zondagmiddag stond er een levensgrote vent in de tuin van het huis. Hij stond kennelijk ergens op te wachten en ons instinct vertelde ons, dat wij het wel eens zouden kunnen zijn, die hem die zondagmiddag van zijn slaapje hadden beroofd. Met schijnheilige smoelen zijn we gewoon doorgelopen en toen we de volgende morgen naar school gingen en voorbij ‘ons’ huis kwamen, zagen we, dat de ramen en de deur dichtgespijkerd waren. Dit was dus het einde van onze wekelijkse leesclub. Het weghalen van de versperring kwam in ons hoofd niet op. Het kraken van leegstaande panden was toen nog niet uitgevonden, zelfs niet door de leden van een illegale culturele leesclub als de onze.
Bij ons werd op zondagmiddag om twee uur warm gegeten. En als de sigarenhandel het toeliet, dan was de maaltijd uitvoerig en duurde lang. Altijd was er dan soep, daarna de aardappels met groenten en vaak kip en als het een gouden tijd was, dan kwam daarna de koegel met peren. De maaltijd was bij ons echt een tijd om te malen. De kaken gingen en niet alleen om te eten, maar ook om te praten en daardoor duurde het allemaal vaak erg lang. Toen de winkel was opgeheven en verbouwd was tot woonkamer, zaten we daar om de tafel. Dat was makkelijk voor onze vriendjes, die ons kwamen halen voor de wekelijkse strooptochten. Ze klommen dan in de lantaarnpaal, die voor de deur stond en hielden zo de stand bij. Vanuit hun uitkijkpost werden de vorderingen van onze maaltijd dan doorgegeven aan de anderen op de begane grond. Soms klonk het ongeduldig: ‘O, ze zijn pas aan de soep. Nou, we gaan vast, hoor. We gaan naar Lauwers.’
Lauwers was een sigarenwinkel in de Generaal Cronjéstraat naast Jamin. Als het Nederlands elftal speelde, kon niemand daar voorbij, want de hele straat was verstopt door sportliefhebbers, die wilden weten, hoe onze voetballers er voor stonden. Lauwers had in zijn etalage een groot schoolbord neergezet en als zich op het voetbalveld iets had afgespeeld, dat de moeite van het vermelden waard was, dan klom hij in de etalage en met een stompje krijt schreef hij de heldendaden dan op het bord, hetgeen de inleiding was van heftige discussies tussen de verzamelde toeschouwers. En om deze discussies ging het ons machtig, zoals de mensen zich toen al konden opwinden en wat hadden ze er allemaal ontzettend veel verstand van.
Lauwers kon zich permitteren om dergelijke opstoppingen te veroorzaken en zodoende reclame te maken voor zijn zaak. Ten eerste had hij telefoon en kon zodoende op de hoogte gebracht worden van de stand van zaken en ten tweede had de politie geen moeite met die troep mensen, die de hele doorgang versperden. Wie zouden er door moeten? De doodenkele auto, die er toen bestond? Nee, het verkeer werd toen echt niet belemmerd, dus laat die mensen daar maar rustig staan.
Die telefoon van Lauwers, dat was iets zeer bijzonders. De ‘stroom’, die daarvoor nodig was, kwam uit een kastje, waar een hele batterij batterijen stond. Of waren het accu’s? Ik weet het niet precies, maar dat kastje zie ik nog voor me en ook, dat hij op een zondagmiddag daar allemaal nieuwe batterijen in zette.
Ook andere evenementen werden door Lauwers op deze wijze den volke kond gedaan. Ik zie hem nog met grote letters op het bord schrijven: ‘Dempsie ligt te zwemmen in zijn bloed’. Dat was tijdens de vermaarde bokswedstrijd tussen Dempsie en Carpentier in 1922.
En als het verkiezing was, dan was het helemaal een drukte van belang. De mensen zaten niet thuis, want daar kon je niets horen door de radio of zien op de televisie, omdat die er eenvoudig niet waren. Ze gingen dus de straat op om op de hoogte te komen van de uitslagen. En niet alleen bij Lauwers stond de straat barstens vol. O, nee, bij ieder kantoor van iedere krant dromden de mensen samen en de verhitte debatten duurden tot diep in de nacht. In de tijd van het opkomend fascisme werd dat nog veel erger, maar daarover schrijf ik later nog wel iets. Deze brief gaat in de eerste plaats over de zondagen in mijn jeugd en hoe die werden doorgebracht.
Bij slecht weer zochten we een toevlucht in het stationsgebouw. We stonden dan bij de contrôlepost en deden alsof we op iemand wachtten. In deze post zaten twee spoorwegbeambten en ook zij moesten wachten op de eerstvolgende trein. Dan schoven ze hun loketje open en één voor één schoven de aankomende passagiers voorbij, aan beide kanten van het kleine, vierkante hokje. Ze legden hun gebruikte kaartje op het plankje vóór het loket en de beambten zagen er zorgvuldig op toe, dat ieder zijn bijdrage leverde. Als iemand passeerde, zonder een kaartje neer te leggen, dan stormde de beambte uit zijn hokje en holde achter de boosdoener aan. Hij moest en zou zijn kaartje hebben, als bewijs, dat hij gecontroleerd had, dat de reis was betaald. De andere beambte hield intussen de stroom passagiers tegen en spande een ketting voor de doorgang van zijn collega. Pas dan ging hij terug naar zijn eigen kant en kon de contrôle doorgang vinden, zij het op halve kracht.
Bij de ingang van het station stond ook zo’n hokje en ook daarin zaten twee beambten. Zij zorgden er voor, dat je niet op het perron kon komen, zonder een geldig trein- of perronkaartje. En ook in de trein zelf werd gecontroleerd, of je wel betaald had voor je reis. Dat was ook wel nodig, want er waren linke jongens, die voor een dubbeltje een perronkaartje uit de automaat haalden en daarmee dan doodleuk even heen en weer naar Amsterdam reden. Dergelijke overtredingen werden zeer ernstig genomen en desnoods werd de op ieder station aanwezige politie-agent er bij gehaald om de misdadiger tot betalen te dwingen. In 1978 gaan de Spoorwegen er blijkbaar van uit, dat het economisch beter uitkomt om de vier controleurs bij de stations en de twee in de trein maar te laten vervallen ten gunste van de ‘blinde passagiers’. Ook de inkomsten uit de perronkaartjes wegen zeker niet op tegen de besparing aan personeelskosten.
Vele zondagmiddaguren hebben we doorgebracht bij deze beambten.