Verhalen uit de jaren 20 en 30: Wijzer worden. In 1978 heeft Mon Cohen Rodrigues een aantal verhalen uitgetypt als brieven voor zijn kleinkinderen. In deze verhalen neemt hij de lezer mee naar zijn kindertijd, de jaren 20 en 30.
Hoofdstuk 7: DE NIEUWE TIJD IN OPMARS
Het moet moeilijk zijn voor jullie, kinderen van het jaar 1978, om je in te denken, dat er een tijd is geweest, dat er geen electriciteit was, dus geen radio, geen televisie, geen telefoon en geen electrisch koffiezetapparaat. Ook was er in mijn jeugd geen sprake van plastics en van nylon. Boeken waren voor de rijke lui en brommers bestonden niet, automobielen waren heel zeldzaam en als er een vliegmachine overkwam, liep de hele buurt uit. Deze ontwikkeling hebben wij, die nu even boven de zestig zijn, helemaal meegemaakt en ik wil daarover in deze brief vertellen.
Toen wij in de Generaal de la Reystraat electriciteit kregen, waarover ik al heb verteld, was dit alleen bedoeld als vervanging van het gaslicht. De paar aansluitpunten hadden licht gebracht en dat was voldoende. Maar voor de rest bleef alles bij het oude. Iedere dag leegde mijn moeder de theepot op het kleed en op haar knieën veegde zij de kamer. De deur moest dan open, omdat het zo stoof, ondanks de theebladeren, die uitgestrooid waren. Als mijn moeder uit werken was, dan was het onze taak om, vóórdat we naar school gingen, de vloer te vegen. Als ik zeg, dat we daarbij altijd even blijmoedig waren gestemd, dan zit ik hier te liegen dat ik… nou ja, goed.
Ik weet niet meer hoe lang we al electra hadden, toen er een man binnenstapte met een grote kartonnen doos. Mijn moeder kroop over de vloer met de korte stoffer.
“Maar moeder Cohen”, zei-ie, “maar moeder Cohen. Hoe lang blijf je nou nog over die grond kruipen? Dat hoeft toch niet meer in deze moderne tijd.”
Ik zie het nog voor me, want ik stond er bij en ik keek er naar. De man was al verscheidene keren geweest, begreep ik, en steeds probeerde hij opnieuw mijn moeder een stofzuiger te verkopen. “Ik laat hem meteen hier”, zei hij. “Maar ik zal je nou eerst laten zien wat dat ding kan.”
Hij haalde de stofzuiger uit de doos en zette het ding in elkaar. Toen begon hij te zuigen en wij stonden verbaasd te kijken naar al de theebladeren, die heel geheimzinnig in de glimmende stang verdwenen. Toen hij wegging, is de stofzuiger gebleven en iedere week kwam er een man aan de deur om zijn deel van het toch al karige inkomen op te eisen. De buren kwamen kijken en klakten met hun tong. Nou, nou, nou, ze vonden toch wat uit, tegenwoordig!
De zaken begonnen goed te lopen voor de man met de kartonnen doos, na die tijd. En de huismoeders, die met elkaar buiten hadden staan praten, zeiden: “Kom, ik ga gauw naar huis, want ik moet nog (en hier werd een aandachtspauze ingelast) zuigen.” Dan wist de ander tenminste, dat zij ook zo’n wondermachine in huis had.
Omstreeks 1925 hoorde je zo hier en daar praten over apparaten, waarmee je muziek kon horen, die heel ergens anders werd gespeeld. Die muziek ging dan door de lucht en als je een apparaat had om het op te vangen, dan kon je in je eigen huis luisteren. Het heette radio en het ging niet via draden, zoals de telegraaf. Nee hoor, het was draadloos, zo noemden ze dat, de radioamateurs.
Er was al een vereniging opgericht van deze mensen, die bouwden zelf zo’n apparaat. Het waren arbeiders en de vereniging heette Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs, afgekort: VARA.
En in de theaters zong Louis Davids:
“Wat zeg je van Ome Ko? Die heeft antenne met radio,
En wat ze smoezen op de Eiffeltoren,
Kan je in de Goudsbloemdwarsstraat horen.”
Onder leiding van technisch adviseurs bouwden de leden van de VARA hun toestellen, de VARA-dyne. De Radiogids verscheen, niet zozeer om te vertellen wat er allemaal te horen was, want dat was nog niet veel, maar om middels tekeningen en schema’s te laten zien, hoe je zelf een radio kon bouwen. En de arbeiders sloegen aan het knutselen en ze draaiden aan knoppen en drukten aan hefbomen, net zo lang, tot ze in hun koptelefoon wat hoorden. Ze luisterden naar Parijs en naar Langeveld in Duitsland, maar later kwam Hilversum er bij en dat werd een gouden tijd voor de radioamateurs, die steeds minder tijd kregen om naar de kroeg te gaan.
De techniek schreed voort en de koptelefoon kon worden vervangen door een luidspreker in de vorm van een grote hoorn. Nu kon je met meerderen tegelijk luisteren en dat was prettig, vooral op zaterdagavond en zondagmiddag, want dan had de VARA enige uren zendtijd. Dat moet omstreeks 1928 of 1929 zijn geweest. Op zaterdagavond kwam Teun de Klepperman, een politieke figuur, die in een gesprek bij de pomp de politiek van de afgelopen week onder de loep nam. Daar bleef men voor thuis of ging luisteren bij buren of vrienden, die radio hadden. En op zondagmiddag kwam Ome Keesje voor de radio. Dat was wel een kinderuurtje, maar het hele gezin zat bij de luidspreker en de kinderen uit de buurt, waar geen radio thuis was, die waren altijd welkom, om te horen wat zich bij de familie Mulder afspeelde.
Ik heb op 30 april 1929 voor het eerst naar de radio geluisterd. Prinses Juliana was jarig en er was hier en daar kermis in de stad. Als bewuste arbeidersjeugd (dat waren wij, want we waren lid van de Arbeiders Jeugd Centrale, de AJC) deden we niet mee aan kermisvieren, we hadden naar onze mening betere dingen te doen. Op die avond had een wat ouder lid, die een radio in elkaar had gezet, een radio-avond georganiseerd. Op het jeugdhuis Het Baken, aan de Bakenessergracht 10, had hij een antenne geplaatst en er hing een luidspreker boven het podium. Het was de vóóravond van 1 mei en de VARA had die avond een uur ter beschikking gesteld van de jeugdbeweging. Wonderbaar was het: in Hilversum stond Lena Lopez Diaz te declameren: “Toen kraaide de haan. Een poort vloog open. Jongen en meisje sprongen het licht in, ’t Was de eerste mei.”
Nooit zal ik het vergeten, hoe we deze uitzending hebben beleefd. We keken elkaar aan met verbaasde ogen. Hoe was dat mogelijk? Dat geluid zat dus in de lucht en met al die draadjes en spoelen en knoppen en lampen kon je het er uit halen en je kon er naar luisteren ook nog!
Na afloop gingen we “in de groep” naar huis. Dat betekende, dat we in rijen van vier naast elkaar liepen en Jan van den Abeele speelde op zijn dwarsfluit en wij zongen: “Ons geleidt de nieuwe tijd”. Nooit waren we er meer van overtuigd geweest, dat de nieuwe tijd in opmars was, dat hadden we juist ervaren. Maar dat die opmars zich zou ontwikkelen in een tempo, zoals mij vandaag duidelijk is, nee, dat hadden wij toen niet kunnen voorspellen.
In die tijd woonden wij aan de Rijksstraatweg op nr. 138 en ook daar brak de nieuwe tijd zich baan. Op mijn jongste zusje Chel na, werkten wij allemaal en hoewel wij verre van welgesteld waren, de bittere armoede van iets vroegere jaren was er niet meer. Er werd ’s avonds aan tafel gesproken over radio en dat het wel fijn zou zijn om ook zo’n apparaat te hebben. Naar de winkel stappen en er één kopen: nee, zo gemakkelijk kon er toch ook niet in de beurs worden getast. Nou ja, je kon wel in de beurs tasten, maar je hand kwam er toch nagenoeg leeg weer uit, dus als je aan een radio wilde beginnen en je kon hem niet zelf bouwen, dan deed je het anders, namelijk op de manier, waarop je alles deed. Je kocht hem op afbetaling, of wel “op de lat”.
Het woord klonk wat armoedig en daarom hadden de afbetalingsmagazijnen een ander woord uitgevonden: huurkoop. Dat betekende, dat je op elk gewenst moment van alles in je huis kon krijgen. Elke week betaalde je een termijn af en pas als de laatste termijn was betaald, werd het gekochte je eigendom. Had je, vóórdat deze termijn betaald was, geen geld meer, nou, geen nood (voor de leverancier), dan werd het spul gewoon weggehaald en was je alles weer kwijt. Niet alleen het gekochte, maar ook al het geld, dat je in termijnen had afgelost. Maar inmiddels was je al zo gehecht aan je radio of stofzuiger of wat dan ook, dat je snel weer naar een ander magazijn stapte en de volgende dag had je weer een nieuw toestel. O, o, wat is er op deze manier veel zuur verdiend geld uit de zakken van de arbeiders gevloeid in die van de eigenaren van afbetalingsmagazijnen.
Maar goed, wij hadden het dus over een radio gehad, thuis. En de kinderen, die wat ouder waren geworden, hadden inspraak. “Kunsjtstuk” zou mijn moeder achteraf hebben gezegd. Er werd afgesproken, dat ieder van zijn zakgeld (10 procent van je weekloon) iets zou meebetalen. Herman soldeerde een busje dicht, waar het geld in moest, heel spontaan deed hij dat, direct na het eten op de avond, waarop het besluit was gevallen. Stom, natuurlijk, want het moest de volgende week al weer opengemaakt worden om de eerste termijn te betalen.
De volgende dag stond hij daar: onze bloedeigen radio. Het was een klein kastje, ongeveer 35 cm breed en 20 cm hoog. Aan de voorzijde liep de bovenkant schuin naar achteren en daar zat de schaalverdeling: twee naaldjes boven elkaar. Aan weerszijden zat een knopje, waaraan je moest draaien om het juiste station te krijgen: Hilversum, Huizen, Langeveld, meer niet. Aan de achterkant kwam er een snoertje uit, dat naar een luidspreker ging, die aan de wand hing. Een moderne luidspreker was het, niet zo’n hoornmodel, nee hoor, een zeskantige schaal met een doorsnede van zo’n 40 cm. De buren hadden geen hinder van geluidsoverlast, nee, zo hard speelde onze radio niet. We hadden zelf nog moeite om hem te verstaan. Maar hij gaf muziek, dat moet gezegd worden.
Mijn broer Joop moest altijd vroeg op. Dat was niet het grootste probleem, maar wel, dat hij last had van ochtendziekte, een ziekte, die je overal kon hebben, maar nou net niet bij ons thuis. Als hij uit bed kwam, moest je niet tegen hem spreken, want dan kreeg hij gruwelijk de pest in. Deze eigenschap leidde er vanzelfsprekend toe, dat wij hem heel wat hadden te vertellen, ’s morgens in de vroegte. Op een ochtend kwam Joop naar beneden en de radio stond aan. Dat had Herman gedaan.
Dat was op zichzelf al iets ongewoons. Je liet geen radio spelen overdag. Dat deed je ’s avonds, als je er met z’n allen naar kon luisteren. Maar die ochtend speelde het ding, toen Joop de kamer inkwam. “Wel verdummele”, zei hij (maar dan iets wat krachtiger klonk). “Zet verdummele (zie hierboven) dat rotding af.” Waarop Herman heel lief en heel goedsappig antwoordde: “Nou, ik dacht zo, jij betaalt ook mee en je bent haast nooit thuis ’s avonds, dus ik dacht zo, laat ik Joop ook eens laten genieten van zijn eigen radio.”
In het daaropvolgend gesprek tussen mijn beide broers was het niet mogelijk om naar de radio te luisteren, maar dat was niet zo erg, omdat het gesprek op zichzelf opwindend genoeg was. Die ochtend heb ik er een paar nieuwe vloeken bijgeleerd.
Het is geen langdurige vreugde geweest, onze radio. Het door Herman dichtgesoldeerde en weer opengemaakte busje betekende zijn doodvonnis. De betalingsplichtige leden van het gezin, die in het begin trouw hun bijdrage in het busje deden, raakten gewoon aan de radio en het wekelijkse offer begon zwaar te drukken. Daarom “vergaten” ze het busje vaker en vaker en mijn moeder moest dan uit de huishoudbeurs het tekort aanzuiveren. Zo rijk waren we nu ook weer niet, dat zoiets mogelijk was en daar gebeurde het onvermijdelijke: op een kwade dag stond de man van het afbetalingsmagazijn voor de deur om het toestel weg te halen.
Je deed er dan verstandig aan om niet te veel drukte te maken, anders kwam hij later terug met een deurwaarder en een politie-agent of meer. Afgezien van de schande, die dat over je huis bracht, kwamen er dan nog hoge kosten bij, dus je gaf in zo’n geval je dierbare spullen maar af onder het motto: uithuilen en opnieuw beginnen.
Wanneer we opnieuw in het bezit van een radio kwamen, echt, dat weet ik niet meer.
De nieuwe tijd bracht de stoomfiets voort. Die, door stoom voortbewogen fietsen heb ik zelf nooit gekend. Maar wel de opvolger ervan: de motorfiets. Die heb ik zien komen. En mijn vader had er één! En wat voor één! Een Douglas.
Hoe groot de cylinder-inhoud was, dat weet ik niet, maar het zal niet veel zijn geweest. De maximale snelheid, die je er mee kon bereiken, zal 50 kilometer per uur zijn geweest. Vast niet meer, eerder minder. Je moest hem door middel van fietstrappers op gang brengen, net als later de eerste bromfietsen. Van de motor liep een V-snaar naar het achterwiel en zo werd het geval aangedreven. Op de vierkante tank zat een slinger, waarmee je hem in de 2 versnellingen kon zetten. Als mijn vader niet thuis was, zat er geen bougie in. Die haalde hij er uit, omdat hij de ondernemingsgeest van zijn middelste zoontje kende. Ik doel hier op Herman, die in het metaalvak zat en niet bang was voor machines. Dat bleek ook wel, want hij wist toch wel aan een bougie te komen en op een zaterdagmiddag bracht hij met veel moeite de Douglas aan de praat en ging toeren, maar niet voor lang. Een politie-agent hield hem aan en tracteerde hem op een aantal bekeuringen. Geen rijbewijs, geen rem, geen toeter, onder de leeftijd en nog zo het één en ander. Er vielen weer veel onvriendelijke woorden, die zaterdag, maar een lol, dat hij heeft gehad! Hoe het met die bekeuringen is afgelopen, dat weet ik ook niet meer. Jammer, dat ik al zoveel vergeten ben, hè?
Als je een motorfiets hebt, moet je er op rijden en dat deed je overgrootvader Bram dan ook. Dat wil zeggen: één keer heeft hij er echt een tocht op gemaakt. Mijn ouders gingen naar Assen. Ja, echt waar, ze gingen naar Assen. Verder dan Amsterdam en Zandvoort was mijn moeder nooit geweest, met uitzondering dan die ene keer, toen ze bij nicht Esther in Heusden had gezeten. Maar nu gingen ze naar Oom Sjaak en Tante Mien. Oom Sjaak was een broer van mijn moeder. In de oorlog is hij weggevoerd, omdat hij geen ster droeg en hij is nooit terug gekomen.
Hij had een drukkerij aan de Rolderweg in Assen en hij kwam nogal eens naar Haarlem, naar zijn zusters en zijn vader en moeder, toen de laatste nog leefde. En nu zouden mijn ouders eens een bezoek brengen aan Assen. Mijn moeder zou met de trein gaan, dat stond direct vast, maar vader Bram had het in zijn hoofd gezet, dat hij “op de motor” de reis zou ondernemen. Heftige discussies voerden ze, mijn vader en moeder. Floor bezwoer Bram, dat het veel te ver was en dat dat “rotding” het niet zou halen en er zat geen licht op en het werd al vroeg donker. Maar Bram liet niet af en zo stapte hij ’s morgens op de motor.
Floor keek hem bezorgd na en ik zag hem op de Schoterweg voorbij komen. Hij keek naar me en lachte. Maar hij wuifde niet, want zo stuurvast was hij nu ook weer niet. Hij had zijn hoed op en de rand stond omhoog door de tegenwind. Het is de laatste keer geweest, dat ik de Douglas heb gezien. Die is in de strijd gebleven.
Moeder Floor stapte op de trein en ’s middags was ze bij haar broer, maar Brammetje was er nog niet. Om zes uur ook nog niet en om zeven en acht uur ook nog niet. Met Oom Sjaak en Tante Mien is ze toen naar het politiebureau gegaan om te vragen of ze daar iets wisten. Natuurlijk was ze bang en zenuwachtig, maar dat wist ze wel te verbergen, die moeder van me. Ze lachte en maakte dat iedereen met haar meelachte. Onderweg naar het politiebureau vroeg ze iedereen op straat: “Hebt u mijn Brammetje ook gezien? Het is zo’n klein, geel mannetje en hij zit misschien nog op een motor ook.” Als ze later over de tocht naar dat bureau vertelde, dan gebeurde dat nog steeds hikkend en gierend van het lachen, waarbij de tranen over haar knappe gezicht rolden.
Zoals je hebt begrepen, was de reis van Brammetje niet zo erg voorspoedig verlopen. In het begin was het allemaal wel goed gegaan, maar later werd hij misschien een beetje moe en nog later werd hij zeer zeker moe. In de buurt van Hoogeveen werd het zo donker, dat hij licht op moest steken en dat had hij niet. Toen zag hij een lichtje, dat hem tegemoet kwam. Te laat ontdekte hij, dat er achter dat lichtje een man op een fiets zat en die moest hij, volgens de toen reeds geldende verkeersregels, rechts passeren. Maar door vermoeidheid ging hij links rijden. De fietser wist niet meer wat te doen en ging ook maar naar links. En toen herinnerde Bram zich, dat rechts aan de andere kant van de weg was en hij haastte zich naar die zijde, waar dus ook de fietser reed. Die herstelde de oude en verkeerstechnisch gesproken juiste situatie, maar toen wist Bram het helemaal niet meer en ging weer naar links in de hoop, dat de fietser dat ook zou doen. Maar die deed dat toen net niet en toen lagen ze beiden ergens te overdenken, wie de schuld had aan de aanrijding, die natuurlijk het gevolg was van deze slingerbewegingen.
De Drentenaar had het eerst zijn hersens weer bij elkaar. Hij keek naar de restanten van de eens zo trouwe Douglas en toen naar zijn verbogen wiel en sprak de volgende woorden: “Gij zult mij een nieuw rad moeten geven”. Hij sprak ze op z’n Drents uit, hoor. Mijn vader keek ook naar de hoop voormalige motor en naar het verbogen wiel en antwoordde: “Je ken die motor inpikke.” Hij zei het op z’n Amsterdams, maar ze begrepen elkaar.
Brammetje liet de boel de boel. Liep naar het station Hoogeveen, heeft zich onderweg nog een paar pleisters laten plakken op wat schaafwonden, die hij had opgelopen, en ’s avonds laat kwam hij in de Tuinstraat 2 in Assen aan. Ondanks alle grappen, die mijn moeder die avond had verkocht, was ze toch dolblij, dat ze haar Brammetje weer heelhuids aan haar omvangrijke boezem kon drukken.
Je hebt wel gemerkt, dat het oprukken van de nieuwe tijd niet altijd vlotjes verliep, maar soms met schokken en stoten gepaard ging.