de geschiedenis rondom de mysterieuze verdwijning van Josua Cohen Rodrigues
Door Jaïr Salomon van Dijk
We schrijven het jaar 1827. Het is een koude decemberdag wanneer de jonge bruidegom Mozes Cohen Rodrigues (1809-1884) zich met zijn bruid Marianne naar het Amsterdamse gemeentehuis begeeft om te gaan trouwen. De Portugees-Joodse Mozes is dan nog maar amper achttien jaar oud, en woont met zijn ouders in de Amsterdamse Weesperstraat. Die dag stapte hij in het huwelijksbootje met de 21-jarige (Asjkenazische) Marianne Preeger. Mozes’ vader, Josua Cohen Rodrigues (1785-1845), stemde samen met diens vrouw Esther Salom del Valle toe in de echt van hun (nog minderjarige) oudste zoon. Twee maanden eerder was de nog ongetrouwde Marianne al bevallen van een (buitenechtelijk) zoontje: Josua. Vernoemd naar zijn grootvader. Geen wonder dat er snel getrouwd moest worden. Er was sprake van een ‘moetje’.
De familie Cohen Rodrigues was een arme Joodse familie. Mozes’ vader Josua was veelal koopman in bijouterieën en galanterieën geweest. Al vond hij ook werk als tapper in een café in Amsterdam, een baan waarbij hij zonder meer de meest uiteenlopende types tegenkwam. Josua was in Amsterdam geboren op 9 juli 1785 als zoon van Moses A. Cohen en Paloma (Duifje) Rodrigues. Bij de verplichte naamsaanneming in de Franse tijd besloot Josua de achternamen van zijn beide ouders samen te voegen waardoor de naam Cohen Rodrigues ontstond. Het laatste gebeurde wel meer onder de sefardiem. Op zijn 23e levensjaar huwde Josua op 3 juni 1808 in Amsterdam met de twintigjarige Esther Salom Del Valle. Een dochter van Isaac Salom del Valle en Bathseba Senior Coronel. Nog geen halfjaar na het huwelijk van zijn oudste zoon Mozes met Marianne verdwijnt vader Josua volledig uit de archieven, en uit Amsterdam. Zelfs uit Nederland. Niemand weet waarom en waarheen … of toch wel?
Alleenstaande Esther
De mysterieuze verdwijning van Josua moet hebben plaatsgevonden tussen de maanden maart en juli van het jaar 1828. In maart van dat jaar wordt zijn fintas (contributiegeld aan de Snoge) bepaald op 8 florijnen. Drie maanden later verzoekt zijn echtgenoot Esther Salom del Valle om een financieel voorschot uit het legaat van haar voorouder David Mercado. Dit “gezien de absentie van haren man zonder daaromtrent enige schikking te hebben gemaakt”. Esther staat vanaf dat moment alleen voor de zorg van haar minderjarige kinderen: Batseba (14 jaar oud), Marianne (13 jaar oud), Rebecca (7 jaar oud) en Salomon Cohen Rodrigues (6 jaar oud). Een jaar later, in maart 1829, worden bij de eerstvolgende bepaling van de leden-contributie van de synagoge de woorden “Fora do Terra” door de parnassiem bij de naam van Josua Cohen Rodrigues geschreven. Dit is Portugees voor: “Uit het land zijnde”. Tot overmaat van ramp wordt moeder Esther Salom del Valle datzelfde jaar ziek. Ze overlijdt op 2 oktober 1829 aan een borstkwaal in haar huis in de Batavierstraat 45. Haar kinderen zijn hiermee praktisch wees geworden en blijven alleen achter.
Een bezoek aan vrederechter Boas
Al snel worden de achtergebleven kinderen opgevangen bij familie. Enkele maanden na het overlijden van moeder Esther Salom del Valle wordt er op 24 maart 1830 een familieraad bijeengeroepen voor een eveneens Joodse vrederechter in Amsterdam; Tobias Boas jr. Een vrederechter in Nederland was een alleensprekende rechter die in de periode van 1811 tot 1838 recht sprak. Zijn belangrijkste taak was te proberen om tot een schikking te komen tussen (veelal burgerlijke) partijen. In deze raad verschijnen die dag onder andere Abraham Cohen Rodrigues, een oom van de weeskinderen en woonachtig in de Weesperstraat. Hierna volgt Aron Cohen Carillon, theologant en aangetrouwde oom, David Cohen Paraira, tevens theologant en wonende in de Weesperstraat, hij was een oudere neef van de kinderen. Ook Mozes Cohen Rodrigues, wonende in de Bataviersstraat 78, een broer van hun vader Josua was aanwezig. Jacob Salom del Valle, een militair wonende in de Weesperstraat en broer van hun overleden moeder, en ten slotte, Isaac Salom del Valle, een bediende wonende in de Weesperstraat, tevens een oudere neef van de kinderen. Op de familieraad werd besproken dat:
“… de genoemde Josua Cohen Rodriguez indertijd koopman in Bijouterieën en laatstelijk woonachtig was geweest binnen deze stad op de Weesperstraat no 126, en zich sedert twee jaren van zijne woonplaats heeft verwijderd zonder iets verder van zich te hebben doen kennen, en wiens existentie of tegenwoordige verblijfplaats volstrekt onbekend is, waardoor de uitoefening van eenige wettige voogdij over zijn genoemde minderjarige kinderen, na het voormelde afsterven van derzelver moeder vacant is geworden.”
Besloten wordt dat Isac Salom del Valle, een oom van de kinderen via moederszijde, benoemd wordt tot toeziend voogd. Leraar Aron Cohen Carillon wordt benoemd tot voogd over zijn neefje en nichtjes. Josua Cohen Rodrigues was een broer van Carillons vrouw Mirjam. Cohen Carillon (+/- 1777-1844) was een intrigerend figuur in de geschiedenis van Joods Amsterdam. Hij was godsdienstleraar en predikant aan het Portugees Israëlitische seminarium Ets Haim. Bovendien was hij een van de pioniers binnen de Sefardische gemeenschap die actief pleitte voor Nederlandstalige preken in plaats van het gebruikelijke Portugees.
Perikelen tussen voogd en pleegdochters
Van Josua’s wees geworden kinderen groeiden de meesten in de praktijk op in de Weesperstraat, in het gezin van hun voogd Aron Cohen Carillon en diens vrouw Mirjam, die tevens de biologische tante van de kinderen was. Over de relatie tussen de pleegkinderen met hun voogd Carillon is uiteraard weinig bekend. Toch schemert er uit een brief van pleegdochter Marianne Cohen Rodrigues, die in 1836, zes jaar na de familieraad, op 20-jarige leeftijd werd geschreven, wel een vermoeden door. Marianne richtte zich in haar brief om (financiële) hulp aan de parnassiem van de Portugese gemeente. Nadat ze een tijd in een ziekenhuis had gelegen, leek ze niet van plan terug te keren naar het gezin van pleegvader Carillon. Zo schreef ze: “Wat moet een weerloos meisje nu beginnen zonder ligging en niet te weeten waar ik heen of weer moet?” Deze zin wijst er niet op dat Marianne zich erg thuis voelde bij haar pleegvader en tante.
Vanaf jonge leeftijd ontving Marianne Cohen Rodrigues een kleine rente uit het legaat van haar welvarende voorvader Josiau Tartas (ongeveer 6 gulden per jaar). In haar brief uit 1836 vroeg Marianne de parnassiem om dit inkomen voortaan rechtstreeks aan haarzelf te sturen in plaats van direct aan haar voogd Carillon. De parnassiem reageerden echter niet in het voordeel van de 20-jarige weesdochter. Nadat Carillon zo snel mogelijk schriftelijk had verklaard dat Marianne nog maar twintig jaar oud was en daarmee dus minderjarig, stuurden de parnassiem haar als antwoord dat het hun wettelijke plicht was om dit inkomen aan de voogd te geven, tenzij Marianne haar volwassenheid zelf op papier kon bewijzen. Ook Mariannes oudere zus Batseba zou haar jongere zus hebben ondersteund met een verklaring, maar volgens Carillon zou die verklaring “van alle waarheid ontbloot zijn”. Jammer genoeg is Batseba’s verklaring niet in de archieven bewaard gebleven.
Het onbekende lot van vader Josua
De vraag rest natuurlijk wat er van vader Josua geworden is. Bekend is nu dat Josua zijn gezin al in 1828 had verlaten. Dus nog voor het overlijden van zijn vrouw Esther Salom Del Valle, om vervolgens naar een onbekende bestemming te zijn vertrokken. Op het eerste gezicht lijkt er weinig tot niets bekend te zijn over het lot van vader Josua. Echter, tussen de regels door blijkt dat men ervan overtuigd is dat de vader daadwerkelijk vertrokken is, en het land heeft verlaten, waardoor een ongeluk of zelfs een eventuele zelfmoord al gauw kan worden uitgesloten. Iemand die vertrekt, neemt immers geld, kleding en mogelijk persoonlijke bezittingen mee. Iemand die buitenshuis een ongeluk krijgt en niet wordt gevonden, is onvoorbereid en neemt niets mee. Mogelijk kunnen de huwelijksbijlagen rondom de kinderen van Josua hierover meer informatie verschaffen. Bij een huwelijk moesten de kinderen immers een verklaring van overlijden of een notariële verklaring van afwezigheid van hun vader afgeven. En bewijs deze afwezigheid dan maar eens. De bijlagen vertellen ons dat de kinderen (hoewel in zeer grote lijnen) toch wel een idee hadden van waar hun vader was, en dat hij nog leefde. In 1836 trouwde zijn inmiddels 23-jarige dochter Batseba Cohen Rodrigues met Juda Pereira. Een notariële akte in de bijlagen vermeldt het volgende:
“Dat dezelve hare vader Joshua Cohen Rodriguez voor vele jaren geleden zich van zijne toenmaligen woonplaats zijnde geweest binnen deze stad op de Weesperstraat heeft verwijderd en zich naar Amerika heeft begeven en daarna niets meer van hem heeft gehoord … etc.”
Naar Amerika
Als vader Josua nog in leven zou zijn, zou hij zich dus ergens in Amerika moeten bevinden. Maar waar precies? Hoe kwam ik daarachter? Mijn verwachting was dit nooit te weten te komen, totdat ik laatst bij toeval een bijzondere brief tegenkwam in de ingekomen stukken, gericht aan de parnassiem van de Portugese gemeente in Amsterdam. De brief was gedateerd op 4 april 1845 en geschreven door David Philip, de koster van de Sefardische gemeente Shearith Israel in New York. De brief luidt als volgt:
New York 4 April 1845
De weledele Heeren Parnassijns der Israëlitische Portugesche gemeente.
Wel Edele Heeren te Amsterdam
Desen is alleen dienende om u weledele te berichten dat aan sondag den 30e Maart is gestorven hier in New York, en den maandag den 31 Maart is begraven geworden: de Heer Josuha Cohen Rodrigo, geboren te Amsterdam en de laatste twintig jaar gewoond in America. In de eerste plaats: vind ik mij verplicht om uweledele kennis daarvan te geven daar hij een zoon in Amsterdam heeft, en die ingevolge onze religie verplicht is kaddisj te zeggen. En in de tweede plaats daar hij immer de naam heeft gehad, van een welgesteld man te zijn, en het zoude mogelijk zijn, dat enige van Zijne kinderen te Amsterdam mogt resolveeren om naar New York te komen. Zo vond ik mij verplicht om uw weledelen te schrijven, dat dit het geval niet is dat hij arm gestorven is en niets heeft nagelaten en dat zijn vrouw en zes kinderen hier niets hebben om te leven, en moeten hun brood met arbeid verdienen en dus dat zijn kinderen in Holland een vergeefse reis zouden doen, hij heeft voor jaaren zeer goed zijn brood verdient doch de laatste drie jaaren heeft hij alles verloren, ofschoon het niemand geweten heeft tot na zijn dood, daar hij altoos een zeer opgewonden natuur gehad heeft, en tegen niemand geklaagt heeft. Het oude Hollandsche spreekwoord: ‘de dood en den bruid brengt alles uit’ is bij hem bewaarheid. Hij is als een Jood gestorven, en begraven op het Portugeesche kerkhof van welke gemeente hij verscheidene jaren lidmaat is geweest. Hiermede aan mijn plicht meenende voldaan te hebben, hebbe ik dezer mij met achting te noemen
Uw edele Dienaar
David Phillip
Koster van de Portugeese gemeente.
Mijn adres. No 56 Crosby Street.
New York.
Josua was dus op 30 maart 1845 in New York overleden. En inderdaad, de overlijdensakte van ene Josua Cohen Rodrigues, geboren in Amsterdam en overleden op 30 maart 1845 in Manhattan, New York, bevindt zich nog altijd in de burgerlijke stand van de gemeente New York. Volgens deze akte is hij bovendien begraven op de begraafplaats van de Portugese gemeente Shearith Israel. Het mysterie rondom vader Josua lijkt hiermee grotendeels opgelost. Toch blijft het lot van vader Josua Cohen Rodrigues intrigeren. Er zijn nog veel vragen onbeantwoord. Zo spreekt de brief uit New York van een tweede vrouw en zes kinderen in Amerika. Wie waren deze mensen? Hoe slaagde Josua Cohen Rodriguez erin “vele jaren goed zijn brood te verdienen” om vervolgens alles te verliezen in de laatste drie jaar voor zijn overlijden? Maar liefst drie maanden na het opstellen van de brief arriveerde de boodschap eindelijk op zijn bestemming bij de Amsterdamse parnassiem. “De voorzitter meldt dat hij deze brief aan de zoon van de overledene heeft gegeven ter informatie”, zo staat er in hun notulen geschreven. Dit moet Josua’s jongste zoon Salomon Cohen Rodriguez zijn geweest. Oudste zoon Mozes was namelijk rond die tijd niet in Amsterdam. Hoe het verder verliep met de kinderen van Josua in Amsterdam?
Dochter Marianna overleed in 1856 in de Koloniën van Weldadigheid (armenkolonie) te Veenhuizen, ze was een aantal jaar daarvoor opgepakt wegens “landloperij” en bedelarij. Bovendien lijkt zij volgens de gemeenteregisters over te zijn gegaan tot het protestantisme. Zuster Batseba was in 1872 weduwe geworden na de dood van haar man Juda Pereira. Haar laatste jaren sleet ze in het Portugees Israëlitische Oude vrouwen- en ziekenhuis in de Rapenburgerstraat alwaar ze in 1892 overleed. Zus Rebecca was in 1842 getrouwd met haar zeker dertig jaar oudere oom Jacob Salom del Valle. De broer van haar moeder Esther. Oom Jacob was militair geweest en had voor die tijd veel van de wereld gezien, waaronder de Molukken in de Oost. Voor dit op zijn minst bijzondere huwelijk was overigens toestemming van de koning nodig. Rebecca overleed in 1862 in Amsterdam. Oudste broer Mozes werd in de jaren 1840 veroordeeld wegens oplichting. Hij overleed in 1884 in de hoofdstad. Ten slotte overleed het jongste broertje: Salomon Cohen Rodrigues in 1898 als weduwnaar in Amsterdam. Het verhaal van deze Portugees-Joodse familie biedt een kijkje in het leven van mensen als Josua die mogelijk onder druk van slechte economische omstandigheden hun gezin verlieten en een nieuwe toekomst zochten in een ver land. Maar bovenal laat het zien hoe hun beslissingen, hoe moeilijk ook, diepe sporen nalieten in gezinnen, en met name op de in onzekerheid overgebleven kinderen.