Op 26 juni 1942 werd de Joodse Raad op de hoogte gesteld van de Duitse plannen om Joden voor ‘onder politietoezicht staande werkverruiming’ naar Duitsland te sturen. Daarmee werd een nieuwe fase van de vervolging van de Nederlandse Joden ingeluid. In de zomer begonnen de grootschalige deportaties.
De Joodse Raad kreeg de opdracht oproepen voor ‘werkverruiming’ in Duitsland te versturen aan alle mannen tussen 16 en 40 jaar. Vierduizend Joden moesten mee met de eerste transporten, die van 14 tot en met 17 juli 1942 plaatsvonden. Maar mensen reageerden nauwelijks op hun oproepen en meldden zich niet.
Ook opa Herman kreeg de oproep om de volgende dag klaar te staan met een koffertje om naar Westerbork te worden vervoerd.
Gelukkig kon opa uitstel krijgen omdat hij met oma Corrie gemengd-gehuwd was. Toen de Duitsers besloten vanaf juli 1942 de Joden naar Duitsland te deporteren, konden ze niet alle 140.000 in Nederland verblijvende Joden tegelijk op de trein zetten. De meeste gemengd-gehuwden konden voorlopig in Nederland blijven. De meeste Joodse mannen zonder kinderen kregen echter geen uitstel. De andere gemengd-gehuwden konden een verklaring van een ‘gemengd huwelijk’ overleggen en kregen dan voorlopig uitstel van de ‘arbeidsverruiming in Duitsland’. Dus zorgde mijn opa zo snel mogelijk na de oproep voor zo’n verklaring.
Dat gaf tijdelijk respijt, maar amper een maand later was het weer zover en moest opa de vrijstelling vanwege het hebben van een gemengd huwelijk opnieuw, en wederom met succes, verdedigen.
