De rol van de Liro roofbank

In 1859 richtte George Rosenthal samen met Leo Lippmann de Amsterdamse bank Lippmann Rosenthal op, later bekend als de Liro roofbank, die eerst op de Nieuwe Herengracht gevestigd was, maar later verhuisde naar een pand in de Nieuwe Spiegelstraat. Voor de oorlog stond de Lippmann Rosenthal bank goed bekend. Het was een betrouwbare en solide Joodse bank.

De Liro roofbank aan de Nieuwe Spiegelstraat (1905)
De Liro bank aan de Nieuwe Spiegelstraat (1905)

De Duitse bezetter maakte handig gebruik van de goede reputatie van de bank. Al vrij snel na de bezetting van Nederland, in juli 1940, werd Alfred Flesche ‘Verwalter’ (zaakgelastigde in dienst van de nazi’s) van de Lippmann Rosenthal bank. Tijdens een bijeenkomst op 19 mei 1941 waar verscheidene hoge nazi-functionarissen aanwezig waren, waaronder de rijkscommissaris van Nederland Arthur Seyss-Inquart, werd besloten dat alle ‘Volljuden’ uit Nederland moesten verdwijnen. Daarvoor werd eerst een vier stappenplan tot grootscheepse plundering van de eigendommen van Joden gestart:    

  1. Het bedrijfsleven zou ‘entjudet’ worden;
  2. De opbrengsten van de te liquideren of te verkopen bedrijven zouden overgedragen worden aan een nieuwe stichting, de VVRA (Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt);
  3. Grondbezit zou de Joden ontnomen worden en in beheer gegeven bij een nieuwe maatschappij voor onroerend goed (de Niederländische Grundstücksverwaltung);
  4. Gelden, effecten en waardevolle goederen waarover de Joden beschikten zou bij één enkele bank gedeponeerd moeten worden (de Liro-bank).

De bezetter gebruikte de goede naam van de Lippmann Rosenthal bank en richtte een tweede vestiging op in de Sarphatistraat. Deze vestiging was niet meer dan een roofbank, waar de Joodse bevolking de bezittingen moest onderbrengen. Het idee om de Lippmann Rosenthal bank te gebruiken als roofbank kwam doordat de nazi’s dachten dat de Joden hun waardevolle spullen sneller naar een goed bekend staande Joodse bank zouden brengen.

De Liro roofbank aan de Sarphatistraat

Op 8 augustus’ 41 verscheen een Duitse verordening die bepaalde dat ‘Volljuden’ al hun contante geld en cheques op een rekening bij Lippmann-Rosenthal moesten storten (alle gelden boven de 1.000 gulden); hun effecten moesten zij er in depot geven, tegoeden en deposito’s bij banken, spaarkassen of andere geld- en kredietinstellingen dienden zij op hun rekening bij Lippmann-Rosenthal over te schrijven. Deze bepalingen golden niet voor alle ‘Volljuden’ maar alleen voor diegenen die een vermogen hadden van minstens 10.000 gulden. Omdat maar weinigen een dergelijk vermogen hadden trokken de meeste Joden zich van de bepalingen niets aan. Dit was de eerste verordening die het privévermogen van Joden trof en stond later bekend als de eerste Liro-Verordening.

De tweede Liro-Verordening werd op 21 mei 1942 uitgevaardigd en was een aanscherping van de eerdere regelgeving. Had de eerste Liro-Verordening nog slechts een deel van het Joodse particuliere vermogen gevorderd, nu dienden ‘vorderingen van elke soort’ te worden aangemeld. Deze vorderingen omvatten baar geld, bank- en girotegoeden, effecten, levensverzekeringspolissen en vorderingen, sieraden, kunstvoorwerpen en overige kostbaarheden. Alle eerdere vrijstellingen kwamen te vervallen. Het vrij besteedbaar bedrag werd bijgesteld van 1.000 gulden per persoon per maand naar 250 gulden per gezin per maand.

Vanaf midden 1942 tot zomer 1943 was het aantal goederen dat bij de Liro-bank werd afgegeven zo groot dat men diverse aanvullende opslagruimtes gebruikten. Het aantal personeelsleden bij de Lippmann Rosenthal bank geeft enig idee van de schaal waarop de roof werd uitgevoerd. Ten tijde van de 1e Liro-Verordening had de bank 268 personeelsleden. Het personeel verdubbelde in 1942 naar 510 en viel in 1943 terug naar 299.

Om de onteigening compleet te maken opende de bank in juni 1942 een filiaal in kamp Westerbork, waar onder dwang alles werd afgenomen wat men aan dierbaars op het lichaam had trachten te verstoppen, tot aan dure mantels en schoenen aan toe.

De goederen moesten zo gauw mogelijk verkocht worden en de opbrengst ging naar de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), waar de opbrengst van geliquideerde Joodse bedrijven ook al was terechtgekomen. Uiteindelijk moest dit het Duitse rijk ten goede komen. Het grootste deel werd verkocht. Bij de verkoop konden nazikopstukken een keus doen uit de geconfisqueerde kunst. Werken die overbleven gingen naar Duitse kunsthandelaren en musea. Kunstwerken van mindere garnituur mochten geveild worden in Nederland. Naar schatting is meer dan een miljard gulden van de Joden geroofd, waarvan tussen de 300 en 400 miljoen gulden aan baar geld, cheques, bank- en girosaldi bij de Liro-bank ingeleverd was.

Na de bevrijding werd bekend wat er precies gebeurd was. De Liro-bank werd ten behoeve van de liquidatie hernoemd naar LVVS (Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat). De bank werd onder beheer gesteld van een speciaal agentschap. De afwikkeling van de zaken en de teruggave van de geroofde gelden aan rechthebbenden duurde tot 1956. De nauwkeurig bijgehouden administratie van de bank bleek echter grotendeels zoek, waardoor het moeilijk werd om de nabestaanden te restitueren.

In 1997 ontdekte een studievriend van journalist Yoeri Albrecht een deel van de Liro-archieven bij toeval in een kantoorpand dat hij gekocht had. Albrecht schreef over de ontdekking twee artikelen in weekblad Vrij Nederland. Dit leidde tot de Liro-affaire. Het bleek dat bij de afwikkeling van de zaken er veelal geen claims meer waren gekomen. De rechthebbenden waren immers gedeporteerd en in veel gevallen vermoord. De toenmalige ambtenaren besloten de resterende bezittingen onderling te verloten en te verkopen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.